Job 39
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Kent gij de tijd, waarop de gemzen springen, Neemt gij het jongen der hinden waar;
1ΕΙ ἔγνως καιρὸν τοκετοῦ τραγελάφων πέτρας, ἐφύλαξας δὲ ὠδῖνας ἐλάφων;
2Telt gij de maanden van haar dracht, Bepaalt gij de dag, dat zij werpen?
2ἠρίθμησας δὲ μῆνας αὐτῶν πλήρεις τοκετοῦ αὐτῶν, ὠδῖνας δὲ αὐτῶν ἔδυσας;
3Ze krommen zich, drijven haar jongen uit, En haar weeën zijn heen;
3ἐξέθρεψας δὲ αὐτῶν τὰ παιδία ἔξω φόβου; ὠδῖνας δὲ αὐτῶν ἐξαποστελεῖς;
4Haar jongen worden sterk, groeien op in de steppe, Lopen weg, en keren niet tot haar terug!
4ἀπορρήξουσι τὰ τέκνα αὐτῶν, πληθυνθήσονται ἐν γεννήματι· ἐξελεύσονται, καὶ οὐ μὴ ἀνακάμψουσιν αὐτοῖς.
5Wie heeft den woudezel in vrijheid gelaten, Wie dien wilde de boeien geslaakt,
5τίς δέ ἐστιν ὁ ἀφεὶς ὄνον ἄγριον ἐλεύθερον, δεσμοὺς δὲ αὐτοῦ τίς ἔλυσεν;
6Hem, wien Ik de woestijn tot woning gaf, De zilte steppe tot verblijf;
6ἐθέμην δὲ τὴν δίαιταν αὐτοῦ ἔρημον, καὶ τὰ σκηνώματα αὐτοῦ ἁλμυρίδα·
7Die spot met het lawaai van de stad, Die zich niet stoort aan het razen der drijvers;
7καταγελῶν πολυοχλίας πόλεως, μέμψιν δὲ φορολόγου οὐκ ἀκούων,
8Die de bergen als zijn weide doorsnuffelt, En naar al wat groen is, neust.
8κατασκέψεται ὄρη νομὴν αὐτοῦ καὶ ὀπίσω παντὸς χλωροῦ ζητεῖ.
9Wil de woudos ù dienen, Aan ùw krib overnachten;
9βουλήσεται δέ σοι μονόκερως δουλεῦσαι ἢ κοιμηθῆναι ἐπὶ φάτνης σου;
10Slaat gij een touw om zijn nek, Egt hij de voren achter ú?
10δήσεις δὲ ἐν ἱμᾶσι ζυγὸν αὐτοῦ ἢ ἑλκύσει σου αὔλακας ἐν πεδίῳ;
11Vertrouwt ge op hem om zijn geweldige kracht, Laat ge aan hem uw arbeid over;
11πέποιθας δὲ ἐπ᾿ αὐτῷ, ὅτι πολλὴ ἡ ἰσχὺς αὐτοῦ, ἐπαφήσεις δὲ αὐτῷ τὰ ἔργα σου;
12Rekent ge op hem, om uw oogst te gaan halen, En uw graan op uw dorsvloer te brengen?
12πιστεύσεις δὲ ὅτι ἀποδώσει σοι τὸν σπόρον, εἰσοίσει δέ σου τὸν ἅλωνα;
13Vrolijk klapwiekt de struis, De moeder van kostbare veren en pennen,
13πτέρυξ τερπομένων νεέλασα, ἐὰν συλλάβῃ ἀσίδα καὶ νέσσα·
14Maar die haar eieren stopt in de grond, En ze uitbroeien laat op het zand.
14ὅτι ἀφήσει εἰς γῆν τὰ ὠὰ αὐτῆς καὶ ἐπὶ χοῦν θάλψει
15Ze vergeet, dat een voet ze vertrappen kan, Dat de wilde beesten ze kunnen verpletteren;
15καὶ ἐπελάθετο ὅτι ποὺς σκορπιεῖ καὶ θηρία ἀγροῦ καταπατήσει·
16Ze is hard voor haar jongen, alsof het de hare niet zijn, Het deert haar niet, al is haar moeite vergeefs:
16ἀπεσκλήρυνε τὰ τέκνα ἑαυτῆς, ὥστε μὴ ἑαυτήν, εἰς κενὸν ἐκοπίασεν ἄνευ φόβου·
17Want God heeft haar de wijsheid onthouden, Geen verstand haar geschonken.
17ὅτι κατεσιώπησεν αὐτῇ ὁ Θεὸς σοφίαν καὶ οὐκ ἐπεμέρισεν αὐτῇ ἐν τῇ συνέσει.
18Toch rent ze weg, zodra de boogschutters komen, En spot met het paard en zijn ruiter!
18κατὰ καιρὸν ἐν ὕψει ὑψώσει, καταγελάσεται ἵππου καὶ τοῦ ἐπιβάτου αὐτοῦ.
19Geeft gij het paard zijn heldenmoed, Hebt gij zijn nek met kracht bekleed;
19ἦ σὺ περιέθηκας ἵππῳ δύναμιν, ἐνέδυσας δὲ τραχήλῳ αὐτοῦ φόβον;
20Laat gij als een sprinkhaan het springen, Laat gij het hinniken, geweldig en fier?
20περιέθηκας δὲ αὐτῷ πανοπλίαν, δόξαν δὲ στηθέων αὐτοῦ τόλμῃ;
21Het draaft door het dal, het juicht in zijn kracht, En stormt op de wapenen aan;
21ἀνορύσσων ἐν πεδίῳ γαυριᾷ, ἐκπορεύεται δὲ εἰς πεδίον ἐν ἰσχύϊ·
22Het spot met angst, wordt nimmer vervaard, En deinst niet terug voor het zwaard.
22συναντῶν βασιλεῖ καταγελᾷ καὶ οὐ μὴ ἀποστραφῇ ἀπὸ σιδήρου·
23Boven op zijn rug rammelt de koker met pijlen, Bliksemt de lans en de speer;
23ἐπ᾿ αὐτῷ γαυριᾷ τόξον καὶ μάχαιρα,
24Ongeduldig, onstuimig verslindt het de bodem, Niet meer te temmen, als de bazuinen weerschallen.
24καὶ ὀργῇ ἀφανιεῖ τὴν γῆν καὶ οὐ μὴ πιστεύσει, ἕως ἂν σημάνῃ σάλπιγξ·
25Bij iedere trompetstoot roept het: Hoera! Van verre reeds snuift het de strijd, De donderende stem van de leiders, Het schreeuwen der krijgers!
25σάλπιγγος δὲ σημαινούσης λέγει· εὖγε. πόρρωθεν δὲ ὀσφραίνεται πολέμου σὺν ἅλματι καὶ κραυγῇ.
26Stijgt de sperwer op door uw beleid, En slaat hij zijn vleugels uit naar het zuiden?
26ἐκ δὲ τῆς σῆς ἐπιστήμης ἕστηκεν ἱέραξ, ἀναπετάσας τὰς πτέρυγας, ἀκίνητος, καθορῶν τὰ πρὸς νότον;
27Neemt op uw bevel de gier zijn vlucht, En bouwt hij zijn nest in de hoogte?
27ἐπὶ δὲ σῷ προστάγματι ὑψοῦται ἀετός, γὺψ δὲ ἐπὶ νοσσιᾶς αὐτοῦ καθεσθεὶς αὐλίζεται
28Hij woont en nestelt op rotsen, Op steile en ontoegankelijke klippen;
28ἐπ᾿ ἐξοχῇ πέτρας καὶ ἀποκρύφῳ;
29Van daar beloert hij zijn prooi, Uit de verte spieden zijn ogen.
29ἐκεῖσε ὢν ζητεῖ τὰ σῖτα, πόρρωθεν οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτοῦ σκοπεύουσι·
30Zijn jongen slurpen bloed, Waar lijken liggen, hij is er terstond!
30νεοσσοὶ δὲ αὐτοῦ φύρονται ἐν αἵματι, οὗ δ᾿ ἂν ὦσι τεθνεῶτες, παραχρῆμα εὑρίσκονται.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.