Job 30
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Maar thans lachen jongere mensen mij uit, Lieden, wier vaders te min voor mij waren, Om ze bij mijn herdershonden te zetten;
1しかし今、私より若い者たちが私を嘲笑している。 彼らの父親など、羊を守る犬と並べるにも値しないと思っていた。
2Wier sterke hand mij zelfs niet kan dienen, Daar al hun kracht verloren ging,
2彼らの手の力は、私にとって何の役に立つだろうか。 壮年の力を失ってしまった男たちなのに。
3Door gebrek en honger is uitgeput. Lieden, die de stronken afknagen in de woestijn, In het land der steppe en wildernis;
3彼らは欠乏と飢饉によって痩せ細っている。 荒廃と荒涼の暗がりで、乾いた地をあさる。
4Die zilte kruiden van de struiken plukken, En zich voeden met de wortels der brem;
4彼らは茂みのそばで塩生の草を摘む。 えにしだの根が彼らの食物である。
5Die uit de samenleving zijn weggejaagd, En die men naschreeuwt als dieven.
5彼らは人々の中から追い出される。 人々は泥棒を追うように、彼らを追って叫ぶ。
6Lieden, die in de krochten van afgronden wonen, In aardholen en rotsen;
6そのため、彼らは恐ろしい谷間や、 地の穴、岩の穴に住んでいる。
7Die balken tussen de struiken, Samenhokken onder de netels;
7彼らは茂みの中で、ろばのように鳴き、 いらくさの下に群がる。
8Die als een dwaas en naamloos broed Weggezweept zijn uit het land.
8彼らは愚か者の子どもたちであり、そうだ、悪者たちの子どもたちである。 彼らはむち打たれてその地から追い出された。
9En thans ben ik hun spotlied geworden, En de stof voor hun praat.
9今や私は彼らの歌となった。 そうだ、私は彼らの物笑いの種である。
10Vol afschuw blijven ze op een afstand staan, En ontzien zich niet, mij in het gezicht te spuwen.
10彼らは私を忌み嫌い、私から遠ざかって立ち、 私の顔に唾を吐くことさえためらわない。
11Zij mishandelen mij, nu ze hun teugel hebben losgerukt Hun breidel hebben afgeworpen.
11神が私の綱を解き、私を苦しめられたからだ。 そして彼らは私の前で手綱を投げ捨てた。
12Aan mijn rechterhand verheft zich dat broed, Mijn voeten stoten hen weg; Ze banen tegen mij hun onheilspaden,
12私の右には暴徒が立ち上がる。 彼らは私の足を押し退け、 私に向かって破滅の道を築き上げる。
13En vernielen mijn weg, om mij te verderven. Ze trekken op, er is niemand, die hen weerhoudt,
13彼らは私の道を台無しにする。 彼らは私の滅びを推し進める、 誰の助けも借りずに。
14Als door een wijde bres rukken ze aan. Onder de puinhopen kwam ze aangerold
14広い破れ口を通るように、彼らはやって来る。 彼らは廃墟の真ん中に転がり込んでくる。
15Keerde zich tegen mij de verschrikking; Als een stormwind waaide mijn aanzien weg, Mijn geluk dreef voorbij als een wolk.
15恐怖が私に襲いかかった。 彼らは私の誉れを風のように追い散らす。 私の幸福は雲のように過ぎ去った。
16En thans stort zich mijn ziel in mij uit, Grijpen de dagen van rampspoed mij aan!
16今、私の命は内から流れ去り、 苦難の日々が私を捕らえた。
17Des nachts wordt mijn gebeente doorboord, En nemen mijn knagende pijnen geen rust;
17夜には、私の骨が内側から刺し貫かれ、 私をかじる痛みは休むことがない。
18Door het grote geweld is mijn vlees ontredderd, Het knelt mij als de kraag van mijn kleed.
18激しい力が私の衣をゆがめ、 それは下着の襟のように私を締め付ける。
19God heeft mij in de modder geworpen, Ik zie er uit als stof en as.
19神は私を泥の中に投げ込んだ。 私はちりと灰のようになった。
20Ik roep tot U, maar Gij antwoordt niet; Ik sta overeind, maar Gij let niet op mij.
20私はあなたに叫び求めるが、あなたは答えない。 私が立ち上がっても、あなたはただ見つめる。
21Gij zijt wreed tegen mij, Met uw krachtige hand bestookt Gij mij;
21あなたは私に対して残酷になり、 御手の力で私を攻め立てる。
22Gij heft mij op, jaagt mij voort op de wind, Een noodweer lost mij in water op.
22あなたは私を風に持ち上げ、それとともに私を追いやる。 あなたは嵐の中で私を消し去る。
23Ja, ik weet, Gij leidt mij ten dode, Naar de verzamelplaats van al wat leeft.
23あなたが私を死へ、 すべての生きる者のために定められた家へと導くことを、私は知っているからだ。
24Maar steekt een drenkeling de hand niet uit, Roept men in zijn ellende niet om hulp?
24しかし、人は倒れるときに手を伸ばさないだろうか。 災難のときには、助けを求めて叫ばないだろうか。
25Heb ik zelf niet geweend over den zwaar beproefde, Was ik over den arme niet zielsbedroefd?
25私は苦難にある者のために泣かなかっただろうか。 私は貧しい者のために心を痛めなかったか。
26Ja, ik hoopte op geluk, maar het onheil kwam; Ik verwachtte het licht, maar het duister viel in.
26私が良いことを望んだとき、悪が来た。 私が光を待ったとき、暗闇が来た。
27Mijn binnenste kookt, en komt niet tot rust, Dagen van jammer treden mij tegen.
27私の心は騒ぎ、休むことがない。 苦難の日々が私に臨んだ。
28Zwart loop ik rond, maar niet van de zon; Sta ik op in de gemeente, ik roep om hulp!
28私は日の光もないまま、嘆きながら歩き回る。 私は集会の中で立ち上がり、助けを求めて叫ぶ。
29Ik ben een broer van de jakhalzen, Een makker der struisen;
29私はジャッカルの兄弟となり、 だちょうの仲間となった。
30Mijn huid is zwart, en laat van mij los, Mijn beenderen branden van koorts;
30私の皮膚は黒くなって私から剥がれ落ちる。 私の骨は熱で焼かれている。
31Mijn citer is voor rouwklacht gestemd, Mijn fluit voor geween!.
31それゆえ、私の竪琴は嘆きに変わり、 笛は泣く者の声となった。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.