Job
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Weer gebeurde het op zekere dag, dat de zonen Gods voor Jahweh verschenen, en dat ook de satan zich in hun midden bevond, en voor Jahweh stond.
1再び、神の子らが主の前に立つために来た日、サタンも彼らの中にやって来て、主の前に立った。
2En Jahweh sprak tot satan: Waar komt ge vandaan? Satan gaf Jahweh ten antwoord: Van een zwerf- en speurtocht over de aarde.
2主はサタンに言われた。「お前はどこから来たのか。」 サタンは主に答えた。「地を行き巡り、そこを歩き回って来ました。」
3Jahweh vroeg satan: Hebt ge daarbij gelet op mijn dienaar Job, en hoe er op aarde zijns gelijke niet is: geen zo onberispelijk en rechtschapen, geen die God vreest en het kwaad schuwt, als hij. Nog blijft hij volharden in zijn deugd; tevergeefs hebt ge Mij dus tegen hem opgehitst, om hem tot de bedelstaf te brengen.
3主はサタンに言われた。「お前は私のしもべヨブに心を留めたか。地上に彼のように咎がなく正しい人、神を恐れて悪から遠ざかっている者はいない。お前は理由もなく彼を破滅させようと私をそそのかしたが、彼はなお自分の誠実さを堅く保っている。」
4Maar Satan gaf Jahweh ten antwoord: Huid voor huid tenslotte geeft de mens al, wat hij heeft, voor zijn leven.
4サタンは主に答えた。「皮には皮を。まことに、人は自分の命のためなら、持つすべてのものを与えます。
5Strek uw hand eens tegen hem uit, en tast hem eens aan in zijn gebeente en vlees: dan vloekt hij U in het aangezicht!
5しかし今、あなたの御手を伸ばし、彼の骨と肉体に触れてください。彼はきっと、面と向かってあなたに背くでしょう。」
6Daarop sprak Jahweh tot satan: Ge moogt met hem doen, wat ge wilt; maar zijn leven moet ge ontzien.
6主はサタンに言われた。「見よ、彼はお前の手にある。ただ、彼の命だけは残しておけ。」
7Zo ging satan van Jahweh heen. Nu sloeg hij Job met kwaadaardige zweren van het hoofd tot de voeten;
7こうしてサタンは主の御前から出て行き、足の裏から頭の頂まで、痛ましい腫れ物でヨブを打った。
8en deze moest een potscherf nemen, om er zich mede te krabben. En terwijl hij op de ashoop zat,
8ヨブは身をかくために土器のかけらを取り、灰の中に座った。
9viel zijn vrouw tegen hem uit: Volhardt ge ook nu nog in uw deugd? Blijf God dan zegenen, en sterf!
9すると彼の妻が彼に言った。「あなたはまだ自分の誠実さを堅く保っているのですか。神に背いて、死になさい。」
10Maar hij sprak tot haar: Ge praat als een dwaas! Zouden we wel het goede van God willen aannemen, maar het kwade niet? Dus ondanks dit alles heeft Job zelfs niet met zijn lippen gezondigd.
10しかし彼は彼女に言った。「あなたは愚かな女たちが口にするように語っている。何ということか。私たちは神の御手から幸いを受けるのなら、災いをも受けるべきではないか。」 このすべてのことにおいて、ヨブはその唇で罪を犯さなかった。
11Toen nu de drie vrienden van Job van al de rampen hoorden, die Job hadden getroffen, verlieten zij allen hun woonplaats. Het waren: Elifaz van Teman Bildad van Sjóeach, en Sofar van Naäma. Ze spraken met elkander af, om hem te gaan beklagen en troosten.
11さて、ヨブの三人の友は、彼に降りかかったこのすべての災いについて聞き、それぞれ自分の所からやって来た。すなわち、テマン人エリファズ、シュア人ビルダデ、ナアマ人ツォファルである。彼らは彼をいたわり、慰めるために、一緒に来ることを打ち合わせていた。
12Maar toen zij op enige afstand de ogen opsloegen, kenden ze hem niet meer terug. Nu begonnen ze hardop te wenen, scheurden hun kleren en strooiden zich as op het hoofd.
12彼らが遠くから目を上げて彼を見たとき、それが彼だと見分けられなかった。彼らは声を上げて泣き、それぞれ自分の上着を裂き、天に向かって自分の頭の上にちりを振りかけた。
13En zeven dagen en zeven nachten bleven ze op de grond naast hem zitten, zonder dat iemand een woord tot hem sprak; want ze zagen, hoe vreselijk zijn smart was.
13そして彼らは七日七晩、彼とともに地に座っていたが、誰も彼に一言も話しかけなかった。彼の苦しみがあまりにも大きいのを見たからである。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.