Job
Chapter 21
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Brento…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Job antwoordde, en sprak:
1Ὑπολαβὼν δὲ Ἰὼβ, λέγει,
2Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen; En dat uw troost zich daartoe bepale!
2Ἀκούσατε ἀκούσατέ μου τῶν λόγων, ἵνα μὴ ᾖ μοι παρʼ ὑμῶν αὕτη ἡ παράκλησις.
3Laat mij uitspreken op mijn beurt, Wanneer ik klaar ben, kunt ge spotten!
3Ἄρατέ με, ἐγὼ δὲ λαλήσω, εἶτʼ οὐ καταγελάσετέ μου.
4Heb ik me soms over mensen beklaagd, Of heb ik geen grond, om mismoedig te zijn?
4Τί γάρ; μὴ ἀνθρώπου μου ἡ ἔλεγξις; ἢ διὰ τί οὐ θυμωθήσομαι;
5Ziet mij aan, en staat verstomd, En legt uw hand op de mond!
5Εἰσβλέψαντες εἰς ἐμὲ θαυμάσετε, χεῖρα θέντες ἐπὶ σιαγόνι.
6Wanneer ik er aan denk, sta ik verbijsterd, En huivert mijn vlees:
6Ἐάν τε γὰρ μνησθῶ, ἐσπούδακα· ἔχουσι δέ μου τὰς σάρκας ὀδύναι.
7“Waarom blijven de bozen in leven Worden zij oud en groeien in kracht?”
7Διὰ τί ἀσεβεῖς ζῶσι, πεπαλαίωνται δὲ καὶ ἐν πλούτῳ;
8Hun kroost gedijt voor hun aanschijn, Hun geslacht houdt stand voor hun ogen;
8Ὁ σπόρος αὐτῶν κατὰ ψυχὴν, τὰ δὲ τέκνα αὐτῶν ἐν ὀφθαλμοῖς.
9Hun huizen zijn veilig en zonder vrees, Gods roede valt er niet op neer.
9Οἱ οἶκοι αὐτῶν εὐθηνοῦσι, φόβος δὲ οὐδαμοῦ, μάστιξ δὲ παρὰ Κυρίου οὐκ ἔστιν ἐπʼ αὐτοῖς.
10Hun stier bespringt en bevrucht, Hun koeien kalven en hebben geen misdracht;
10Ἡ βοῦς αὐτῶν οὐκ ὠμοτόκησε, διεσώθη δὲ αὐτῶν ἐν γαστρὶ ἔχουσα καὶ οὐκ ἔσφαλε.
11Als een kudde laten ze hun jongens naar buiten, En hun kinderen springen rond.
11Μένουσι δὲ ὡς πρόβατα αἰώνια, τὰ δὲ παιδία αὐτῶν προσπαίζουσιν,
12Ze zingen bij pauken en citer, Vermaken zich bij de tonen der fluit;
12ἀναλαβόντες ψαλτήριον καὶ κιθάραν, καὶ εὐφραίνονται φωνῇ ψαλμοῦ.
13Ze slijten hun dagen in weelde, En dalen in vrede ten grave.
13Συνετέλεσαν δὲ ἐν ἀγαθοῖς τὸν βίον αὐτῶν, ἐν δὲ ἀναπαύσει ᾅδου ἐκοιμήθησαν.
14Toch zeggen ze tot God: Blijf verre van ons, We willen uw wegen niet kennen!
14Λέγει δὲ Κυρίῳ, ἀπόστα ἀπʼ ἐμοῦ, ὁδούς σου εἰδέναι οὐ βούλομαι.
15Wat is de Almachtige, dat we Hem zouden dienen; Wat baat het ons, te smeken tot Hem?
15Τί ἱκανὸς, ὅτι δουλεύσομεν αὐτῷ; καὶ τίς ὠφέλεια, ὅτι ἀπαντήσομεν αὐτῷ;
16Ligt hun geluk niet in hun eigen hand, Bemoeit Hij Zich wel met de plannen der bozen?
16Ἐν χερσὶ γὰρ ἦν αὐτῶν τὰ ἀγαθὰ, ἔργα δὲ ἀσεβῶν οὐκ ἐφορᾷ.
17Hoe dikwijls gaat de lamp der bozen wel uit, En stort er rampspoed op hen neer? Hoe dikwijls vernielt Hij de slechten in zijn toorn, Grijpen de weeën hen aan in zijn gramschap;
17Οὐ μὴν δὲ ἀλλὰ καὶ ἀσεβῶν λύχνος σβεσθήσεται, ἐπελεύσεται δὲ αὐτοῖς ἡ καταστροφὴ, ὠδῖνες δὲ αὐτοὺς ἕξουσιν ἀπὸ ὀργῆς.
18Worden zij als stro voor de wind, Als kaf, opgejaagd door de storm?
18Ἔσονται δὲ ὥσπερ ἄχυρα ὑπʼ ἀνέμου, ἢ ὥσπερ κονιορτὸς ὃν ὑφείλετο λαίλαψ.
19Gij zegt: God wreekt zijn misdaad op zijn kinderen, En zal hem zo zijn wraak laten voelen!
19Ἐκλείποι υἱοὺς τὰ ὑπάρχοντα αὐτοῦ, ἀνταποδώσει πρὸς αὐτὸν καὶ γνώσεται.
20Maar zijn eigen ogen moesten zijn rampspoed aanschouwen, Zelf moest hij de toorn van den Almachtige drinken!
20Ἴδοισαν οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτοῦ τὴν ἑαυτοῦ σφαγὴν, ἀπὸ δὲ Κυρίου μὴ διασωθείη.
21Want wat bekommert hij zich om zijn gezin na zijn dood, Wanneer het getal zijner maanden ten einde is?
21Ὅτι τὸ θέλημα αὐτοῦ ἐν οἴκῳ αὐτοῦ μετʼ αὐτοῦ, καὶ ἀριθμοὶ μηνῶν αὐτοῦ διῃρέθησαν.
22Zou men soms God de les willen lezen, Hij, die de hemelingen richt?
22Πότερον οὐχὶ ὁ Κύριός ἐστιν ὁ διδάσκων σύνεσιν καὶ ἐπιστήμην; αὐτὸς δὲ φόνους διακρίνει;
23En de een gaat dood, geheel voldaan, Volkomen gelukkig en rustig,
23Οὗτος ἀποθανεῖται ἐν κράτει ἁπλοσύνης αὐτοῦ, ὅλος δὲ εὐπαθῶν καὶ εὐθηνῶν.
24Zijn lenden vol vet, Het merg in zijn beenderen nog fris.
24Τὰ δὲ ἔγκατα αὐτοὺ πλήρη στέατος, μυελὸς δὲ αὐτοῦ διαχεῖται.
25De ander sterft met een verbitterd gemoed, Zonder ooit het geluk te hebben gesmaakt!
25Ὁ δὲ τελευτᾷ ὑπὸ πικρίας ψυχῆς, οὐ φαγὼν οὐδὲν ἀγαθόν.
26Tezamen liggen ze neer in het stof, Door de wormen bedekt!
26Ὁμοθυμαδὸν δὲ ἐπὶ γῆς κοιμῶνται, σαπρία δὲ αὐτοὺς ἐκάλυψεν.
27Zeker, ik ken uw gedachten, En de bedenkingen, die gij tegen mij aanvoert;
27Ὥστε οἶδα ὑμᾶς, ὅτι τόλμῃ ἐπίκεισθέ μοι·
28Gij zegt: “Waar is het huis van den tyran, Waar de tent, waar de bozen in wonen?”
28Ὥστε ἐρεῖτε, ποῦ ἐστιν οἶκος ἄρχοντος; καὶ ποῦ ἐστιν ἡ σκέπη τῶν σκηνωμάτων τῶν ἀσεβῶν;
29Hebt gij de reizigers dan nooit ondervraagd, Of aanvaardt gij hun getuigenis niet:
29Ἐρωτήσατε παραπορευομένους ὁδὸν, καὶ τὰ σημεῖα αὐτῶν οὐκ ἀπαλλοτριώσετε.
30“De boze blijft gespaard op de dag van verderf, En ontsnapt op de dag van de gramschap!”
30Ὅτι εἰς ἡμέραν ἀπωλείας κουφίζεται ὁ πονηρὸς, εἰς ἡμέραν ὀργῆς αὐτοῦ ἀπαχθήσονται.
31Wie houdt hem zijn wandel voor ogen, Wie zet hem betaald wat hij deed?
31Τίς ἀπαγγελεῖ ἐπὶ προσώπου αὐτοῦ τὴν ὁδὸν αὐτοῦ, καὶ αὐτὸς ἐποίησε; τίς ἀνταποδώσει αὐτῷ;
32Hij wordt ten grave gedragen, En een tombe houdt er de wacht.
32Καὶ αὐτὸς εἰς τάφους ἀπηνέχθη, καὶ αὐτὸς ἐπὶ σωρῶν ἠγρύπνησεν.
33Zacht ligt hij neer Op de kluiten in het dal; Heel de wereld trekt achter hem aan, Talloos velen lopen uit voor zijn stoet.
33Ἐγλυκάνθησαν αὐτῷ χάλικες χειμάῤῥου, καὶ ὀπίσω αὐτοῦ πᾶς ἄνθρωπος ἀπελεύσεται, καὶ ἔμπροσθεν αὐτοῦ ἀναρίθμητοι.
34Wat is uw vertroosting dus schraal, Uw antwoord anders dan leugens!
34Πῶς δὲ παρακαλεῖτέ με κενά; τὸ δὲ ἐμὲ καταπαύσασθαι ἀφʼ ὑμῶν οὐδέν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.