2 Samuel 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Toen kwamen alle stammen van Israël tot David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw vlees en bloed!
1Toutes les tribus d’Israël vinrent auprès de David, à Hébron, et dirent: Voici, nous sommes tes os et ta chair.
2Reeds vroeger, toen Saul nog koning over ons was, waart gij het, die Israël te velde deed trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van Israël zijn!”
2Autrefois déjà, lorsque Saül était notre roi, c’était toi qui conduisais et qui ramenais Israël. L’Éternel t’a dit: Tu paîtras mon peuple d’Israël, et tu seras le chef d’Israël.
3Toen alle oudsten van Israël dus tot den koning in Hebron gekomen waren, sloot koning David met hen een verbond voor het aanschijn van Jahweh, en werd David door hen tot koning over Israël gezalfd.
3Ainsi tous les anciens d’Israël vinrent auprès du roi à Hébron, et le roi David fit alliance avec eux à Hébron, devant l’Éternel. Ils oignirent David pour roi sur Israël.
4David was dertig jaar, toen hij koning werd, en veertig jaar lang heeft hij geregeerd.
4David était âgé de trente ans lorsqu’il devint roi, et il régna quarante ans.
5Zeven jaar en zes maanden regeerde hij over Juda in Hebron, en drie en dertig jaar over heel Israël en Juda in Jerusalem.
5A Hébron il régna sur Juda sept ans et six mois, et à Jérusalem il régna trente-trois ans sur tout Israël et Juda.
6Nu trok de koning met zijn manschappen naar Jerusalem op, tegen de Jeboesieten, de inheemse bevolking. Dezen riepen tot David: Hier komt ge niet binnen; blinden en kreupelen zouden het u kunnen beletten! Daarmee bedoelden ze: David kan hier onmogelijk in.
6Le roi marcha avec ses gens sur Jérusalem contre les Jébusiens, habitants du pays. Ils dirent à David: Tu n’entreras point ici, car les aveugles mêmes et les boiteux te repousseront! Ce qui voulait dire: David n’entrera point ici.
7Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad.
7Mais David s’empara de la forteresse de Sion: c’est la cité de David.
8Bij die gelegenheid sprak David: Wie het eerst de Jeboesieten verslaat, en door de tunnel daar binnendringt, wordt opperste bevelhebber, want David haat die blinden en kreupelen! Vandaar dat men zegt: Blinden en kreupelen komen niet binnen!
8David avait dit en ce jour: Quiconque battra les Jébusiens et atteindra le canal, quiconque frappera ces boiteux et ces aveugles qui sont les ennemis de David… C’est pourquoi l’on dit: L’aveugle et le boiteux n’entreront point dans la maison.
9Daarna vestigde David zich in de vesting, die hij Davidstad noemde, en hij bouwde de stad in heel haar omvang van het Millo af tot het paleis.
9David s’établit dans la forteresse, qu’il appela cité de David. Il fit de tous côtés des constructions, en dehors et en dedans de Millo.
10David werd nu hoe langer hoe machtiger, daar Jahweh, de God der heirscharen, met hem was.
10David devenait de plus en plus grand, et l’Éternel, le Dieu des armées, était avec lui.
11Daarom zond Chirom, de koning van Tyrus, gezanten tot David; ook cederhout, timmerlieden en steenhouwers, om voor David een paleis te bouwen.
11Hiram, roi de Tyr, envoya des messagers à David, et du bois de cèdre, et des charpentiers et des tailleurs de pierres, qui bâtirent une maison pour David.
12Zo begreep David, dat Jahweh hem tot koning van Israël had bevestigd, en dat Hij zijn koningschap verheven had terwille van Israël, zijn volk.
12David reconnut que l’Éternel l’affermissait comme roi d’Israël, et qu’il élevait son royaume à cause de son peuple d’Israël.
13Nadat David uit Hebron gekomen was, nam hij ook in Jerusalem nog bij- en hoofdvrouwen, en kreeg nog meer zonen en dochters.
13David prit encore des concubines et des femmes de Jérusalem, après qu’il fut venu d’Hébron, et il lui naquit encore des fils et des filles.
14Hier volgen de namen van hen, die hem te Jerusalem geboren werden: Sjammóea, Sjobab, Natan en Salomon,
14Voici les noms de ceux qui lui naquirent à Jérusalem: Schammua, Schobab, Nathan, Salomon,
15Jibchar, Elisjóea, Néfeg en Jafia,
15Jibhar, Élischua, Népheg, Japhia,
16Elisjama, Eljada en Elifélet.
16Élischama, Éliada et Éliphéleth.
17Maar toen de Filistijnen vernamen, dat men David tot koning van Israël had gezalfd, trokken alle Filistijnen op, om zich van David meester te maken. Bij het vernemen hiervan, trok David zich terug in de vesting.
17Les Philistins apprirent qu’on avait oint David pour roi sur Israël, et ils montèrent tous à sa recherche. David, qui en fut informé, descendit à la forteresse.
18Toen de Filistijnen gekomen waren en zich over het dal der Refaïeten verspreid hadden,
18Les Philistins arrivèrent, et se répandirent dans la vallée des Rephaïm.
19vroeg David aan Jahweh: Moet ik oprukken tegen de Filistijnen; zult Gij ze aan mij overleveren? Jahweh antwoordde David: Trek op; want Ik lever de Filistijnen aan u over.
19David consulta l’Éternel, en disant: Monterai-je contre les Philistins? Les livreras-tu entre mes mains? Et l’Éternel dit à David: Monte, car je livrerai les Philistins entre tes mains.
20Zo kwam David bij Báal-Perasim; hij versloeg ze daar en zeide: Zoals water door een dam breekt, is Jahweh aan mijn spits door mijn vijanden heen gebroken! Vandaar dat die plaats Báal-Perasim heet.
20David vint à Baal-Peratsim, où il les battit. Puis il dit: L’Éternel a dispersé mes ennemis devant moi, comme des eaux qui s’écoulent. C’est pourquoi l’on a donné à ce lieu le nom de Baal-Peratsim.
21De afgodsbeelden, die de Filistijnen in de steek gelaten hadden, namen David en zijn manschappen mee.
21Ils laissèrent là leurs idoles, et David et ses gens les emportèrent.
22Toen de Filistijnen andermaal waren opgerukt en zich over het dal der Refaïeten hadden verspreid,
22Les Philistins montèrent de nouveau, et se répandirent dans la vallée des Rephaïm.
23raadpleegde David Jahweh opnieuw. Hij antwoordde: Val niet aan, maar maak een omtrekkende beweging naar hun achterhoede, en ga op hen af van de kant der balsemstruiken.
23David consulta l’Éternel. Et l’Éternel dit: Tu ne monteras pas; tourne-les par derrière, et tu arriveras sur eux vis-à-vis des mûriers.
24Als gij in de toppen der balsemstruiken het geruis van schreden verneemt, maak u dan ijlings gereed; want dan gaat Jahweh u vóór, om het leger der Filistijnen te verslaan.
24Quand tu entendras un bruit de pas dans les cimes des mûriers, alors hâte-toi, car c’est l’Éternel qui marche devant toi pour battre l’armée des Philistins.
25David deed juist zoals Jahweh het hem bevolen had, en hij versloeg de Filistijnen van Géba af, tot in de nabijheid van Gézer.
25David fit ce que l’Éternel lui avait ordonné, et il battit les Philistins depuis Guéba jusqu’à Guézer.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.