2 Samuel
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Na dit alles raadpleegde David Jahweh: Moet ik optrekken naar een of andere stad in Juda? Jahweh antwoordde hem: Ja. David hernam: Waarheen moet ik optrekken? Hij antwoordde: Naar Hebron.
1Depois disso, Davi consultou o SENHOR, dizendo: “Devo subir a alguma das cidades de Judá?” O SENHOR lhe disse: “Suba.” Davi perguntou: “Para onde devo subir?” Ele respondeu: “Para Hebrom.”
2Zo trok David daarheen, met zijn beide vrouwen Achinóam uit Jizreël, en Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel.
2Então Davi subiu para lá com suas duas esposas, Ainoã, a jezreelita, e Abigail, a viúva de Nabal, o carmelita.
3Ook de manschappen, die hem gevolgd waren, liet David er heen trekken, ieder met zijn gezin; en zij vestigden zich in de verschillende wijken van Hebron.
3Davi fez subir os homens que estavam com ele, cada homem com a sua família. Eles habitaram nas cidades de Hebrom.
4Toen kwamen de Judeërs, en zalfden David daar tot koning over het huis Juda. Toen David hoorde, dat de burgers van Jabesj in Gilad Saul begraven hadden,
4Os homens de Judá vieram, e ali ungiram Davi rei sobre a casa de Judá. Disseram a Davi: “Foram os homens de Jabes-Gileade que sepultaram Saul.”
5zond hij boden naar de burgers van Jabesj in Gilad en liet hun zeggen: Gezegend zijt gij door Jahweh, omdat gij uw heer Saul deze liefdedienst bewezen en hem begraven hebt.
5Davi enviou mensageiros aos homens de Jabes-Gileade, e lhes disse: “Que o SENHOR os abençoe, porque vocês demonstraram esta bondade para com o seu senhor, Saul, e o sepultaram.
6Moge Jahweh u daarom liefde betonen en trouw! Maar ook ik zal u belonen, omdat gij deze daad hebt verricht.
6Agora, que o SENHOR demonstre amor leal e fidelidade a vocês. Eu também os recompensarei por esta bondade, porque vocês fizeram isso.
7Houdt goede moed en gedraagt u als helden; want al is uw heer Saul gestorven, het huis Juda heeft mij tot koning over hen gezalfd.
7Agora, portanto, que as suas mãos sejam fortes, e sejam valentes; pois Saul, o seu senhor, está morto, e a casa de Judá me ungiu rei sobre eles.”
8Abner, de zoon van Ner, de legeroverste van Saul, had de partij van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, gekozen. Hij liet hem naar Machanáim overkomen,
8Ora, Abner, filho de Ner, comandante do exército de Saul, havia tomado Isbosete, filho de Saul, e o levado para Maanaim.
9en verhief hem tot koning over Gilad en de Aserieten, over Jizreël, Efraïm en Benjamin, kortom over geheel Israël.
9Ele o fez rei sobre Gileade, sobre os assuritas, sobre Jezreel, sobre Efraim, sobre Benjamim e sobre todo o Israel.
10Isj-Bósjet, de zoon van Saul, was veertig jaar oud, toen hij koning van Israël werd, en twee jaar heeft hij geregeerd. Alleen dus het huis Juda hield het met David.
10Isbosete, filho de Saul, tinha quarenta anos de idade quando começou a reinar sobre Israel, e reinou por dois anos. Mas a casa de Judá seguiu Davi.
11De tijd, dat David te Hebron over het huis Juda regeerde, bedroeg zeven jaar en zes maanden.
11O tempo em que Davi foi rei em Hebrom sobre a casa de Judá foi de sete anos e seis meses.
12Eens trok Abner, de zoon van Ner, met de dienaren van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, van Machanáim naar Gibon.
12Abner, filho de Ner, e os servos de Isbosete, filho de Saul, saíram de Maanaim para Gibeom.
13Ook Joab, de zoon van Seroeja, was met de aanhangers van David uitgerukt. Zij stietten op elkaar bij de vijver van Gibon. Daar ze elk één kant van de vijver bezet hielden,
13Joabe, filho de Zeruia, e os servos de Davi saíram e se encontraram com eles junto ao açude de Gibeom; e sentaram-se, uns de um lado do açude e os outros do outro lado.
14deed Abner aan Joab het voorstel: Laat de soldaten onder ons toezicht een steekspel houden! Joab zeide: Goed!
14Abner disse a Joabe: “Por favor, que os jovens se levantem e compitam diante de nós!” Joabe disse: “Que eles se levantem!”
15En volgens een overeengekomen getal traden twaalf Benjamieten van Isj-Bósjet, den zoon van Saul, en twaalf van de aanhangers van David vooruit, en stelden zich tegenover elkander op.
15Então eles se levantaram e foram contados: doze por Benjamim e por Isbosete, filho de Saul, e doze dos servos de Davi.
16Ze grepen elkaar bij de haren, en daar ieder zijn zwaard in de lenden van zijn tegenstander dreef, vielen ze allen tegelijkertijd neer. Vandaar dat die plek “Veld der Lenden” heet; ze ligt bij Gibon.
16Cada um agarrou seu oponente pela cabeça e cravou a espada no lado do seu companheiro; e assim caíram juntos. Por isso, aquele lugar em Gibeom foi chamado de Helcate-Hazurim.
17Maar daarop ontstond toen een buitengewoon heftig gevecht, waarbij Abner met de manschappen van Israël de nederlaag leed voor de aanhangers van David.
17A batalha foi muito severa naquele dia; e Abner e os homens de Israel foram derrotados pelos servos de Davi.
18Nu waren de drie zonen van Seroeja daarbij tegenwoordig: Joab, Abisjai en Asaël. En daar Asaël vlug ter been was als een gazel op de vlakte,
18Os três filhos de Zeruia estavam ali: Joabe, Abisai e Asael. Asael era tão ligeiro dos pés quanto uma gazela selvagem.
19rende hij Abner achterna, en liet rechts noch links van Abner af.
19Asael perseguiu Abner. Ele não se desviou nem para a direita nem para a esquerda ao seguir Abner.
20Omkijkend riep Abner: Zijt gij dat, Asaël? Hij riep terug: Ja!
20Então Abner olhou para trás e disse: “É você, Asael?” Ele respondeu: “Sou eu.”
21Abner riep hem toe: Ga rechts of links, pak den een of ander van de sol daten aan, en ontneem hèm zijn wapenrusting. Maar Asaël wilde niet van hem wijken.
21Abner lhe disse: “Desvie-se para a sua direita ou para a sua esquerda, agarre um dos jovens e tome as armas dele.” Mas Asael não quis se desviar da sua perseguição.
22Daarom riep Abner tot Asaël nog eens: Ga toch van mij weg; anders moet ik u neerslaan, en hoe kan ik dan nog voor uw broer Joab verschijnen?
22Abner disse novamente a Asael: “Pare de me seguir. Por que eu deveria derrubá-lo no chão? Como então eu poderia olhar o seu irmão Joabe no rosto?”
23Toen hij nu nog niet wilde wijken, trof Abner hem met een achterwaartse beweging zo in de buik, dat de lans er van achteren weer uitkwam; hij viel neer en bleef op de plek dood. En iedereen, die bij de plek kwam, waar Asaël gevallen en gestorven was, bleef er bij stil staan.
23No entanto, ele se recusou a se desviar. Por isso Abner o feriu no estômago com a extremidade traseira da lança, de modo que a lança saiu por trás dele; e ele caiu ali mesmo e morreu no mesmo lugar. Todos os que chegavam ao lugar onde Asael havia caído e morrido ficavam parados.
24Ook Joab en Abisjai zetten Abner achterna. Tegen zonsondergang bereikten ze Gibat-Amma, dat tegenover Giach ligt, op de weg naar de woestijn van Gibon,
24Mas Joabe e Abisai perseguiram Abner. O sol se pôs quando eles chegaram à colina de Amá, que fica defronte de Gia, pelo caminho do deserto de Gibeom.
25waar de Benjamieten zich om Abner hadden verzameld, en in gesloten rijen op de top van Gibat-Amma hadden postgevat.
25Os filhos de Benjamim se reuniram atrás de Abner, formando um só grupo, e pararam no topo de uma colina.
26Toen riep Abner tot Joab: Moet het zwaard nu eeuwig woeden? Voelt ge dan niet dat het tenslotte verkeerd moet aflopen? Hoe lang wacht ge nog, het volk te bevelen, de achtervolging van hun broeders te staken?
26Então Abner gritou para Joabe e disse: “A espada devorará para sempre? Você não sabe que isso trará amargura no fim? Quanto tempo vai demorar até que você ordene ao povo que pare de perseguir seus irmãos?”
27Joab antwoordde: Zo waar God leeft; zo ge niet gesproken hadt, ja dan zou het volk eerst morgenvroeg de achtervolging hebben opgegeven.
27Joabe disse: “Tão certo como Deus vive, se você não tivesse falado, com certeza somente pela manhã o povo teria ido embora, e cada um deixaria de seguir o seu irmão.”
28Toen blies Joab de trompet, en het hele volk maakte halt. Het achtervolgde Israël niet langer, en de strijd werd gestaakt.
28Então Joabe tocou a trombeta; e todo o povo ficou parado, e não perseguiram mais Israel, nem lutaram mais.
29Abner met zijn manschappen trokken heel die nacht door de Jordaanvlakte verder, staken de Jordaan over en bereikten na een mars van een halve dag Machanáim.
29Abner e seus homens marcharam toda aquela noite pela Arabá; eles atravessaram o Jordão, passaram por todo o Bitrom e chegaram a Maanaim.
30Toen Joab de achtervolging van Abner had opgegeven en al het volk had verzameld, werden er van de aanhangers van David behalve Asaël negentien man vermist;
30Joabe voltou de perseguir Abner; e quando ele reuniu todo o povo, faltavam dezenove dos homens de Davi, além de Asael.
31maar de aanhangers van David hadden van Benjamin, dus van Abners manschappen, drie honderd zestig man verslagen.
31Mas os servos de Davi haviam ferido de Benjamim e dos homens de Abner trezentos e sessenta homens, que morreram.
32Men droeg Asaël weg, en begroef hem in het graf van zijn vader te Betlehem. Daarna trok Joab met zijn manschappen heel de nacht verder, en bereikte Hebron, toen het dag werd.
32Eles pegaram Asael e o sepultaram no túmulo de seu pai, que ficava em Belém. Joabe e seus homens marcharam a noite toda, e o dia amanheceu quando chegaram a Hebrom.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.