2 Samuel
Chapter 16
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Toen David even voorbij de top was gekomen, kwam Siba, de dienaar van Mefibósjet, hem tegemoet met een koppel gezadelde ezels, beladen met tweehonderd broden, honderd rozijnenkoeken, honderd zomervruchten en een zak wijn.
1Quando Davi havia passado um pouco do topo, eis que Ziba, o servo de Mefibosete, veio ao seu encontro com um par de jumentos selados, e sobre eles duzentos pães, e cem cachos de passas, e cem frutas de verão, e uma vasilha de vinho.
2De koning vroeg aan Siba, wat hij daarmee wilde. Siba antwoordde hem: Op de ezels kan het hof van den koning rijden, het brood en de vruchten kunnen de soldaten eten, de wijn kan worden gedronken door hen, die uitgeput raken in de woestijn.
2O rei perguntou a Ziba: “Para que são estas coisas?” Ziba respondeu: “Os jumentos são para a família do rei montar; e o pão e as frutas de verão para os jovens comerem; e o vinho, para que bebam os que desfalecerem no deserto.”
3Daarop vroeg de koning: En waar is de zoon van uw meester? Siba antwoordde den koning: Die is in Jerusalem achtergebleven; hij denkt natuurlijk, dat het huis Israël hem nu herstellen zal in het koningschap van zijn vader.
3O rei perguntou: “Onde está o filho do seu senhor?” Ziba respondeu ao rei: “Eis que ele ficou em Jerusalém; pois disse: 'Hoje a casa de Israel me restituirá o reino do meu pai.'”
4Toen zeide de koning tot Siba: Zo; dan is alles, wat aan Mefibósjet behoort, voor u! Siba antwoordde: Ik betuig u mijn hulde, mijn heer en koning; moge ik genade vinden in uw ogen!
4Então o rei disse a Ziba: “Eis que tudo o que pertence a Mefibosete é seu.” Ziba disse: “Eu me prostro. Que eu encontre favor aos seus olhos, meu senhor, ó rei.”
5Toen koning David Bachoerim bereikt had, kwam iemand van het geslacht van Sauls familie uit die plaats gelopen; hij heette Sjimi, en was een zoon van Gera. Al vloekend kwam hij naar buiten gelopen,
5Quando o rei Davi chegou a Baurim, eis que saiu dali um homem da família da casa de Saul, cujo nome era Simei, filho de Gera. Ele saiu e o amaldiçoava enquanto vinha.
6en gooide met stenen naar David en naar alle dienaren van koning David, hoewel al het volk en heel de keurbende aan zijn rechter- en linkerhand gingen.
6Ele atirava pedras em Davi e em todos os servos do rei Davi; e todo o povo e todos os homens valentes estavam à sua direita e à sua esquerda.
7En dit kregen ze van den vloekenden Sjimi te horen: Eruit, bloedhond; eruit, Belialskind!
7Simei dizia enquanto amaldiçoava: “Vá embora, vá embora, homem sanguinário e homem maligno!
8Jahweh wreekt op u al het bloed van het huis van Saul, dien ge als koning hebt verdrongen; nu geeft Jahweh het koningschap over aan uw zoon Absalom. Ja, nu zit ge in de ellende, omdat ge een bloedhond zijt!
8O SENHOR fez recair sobre você todo o sangue da casa de Saul, em cujo lugar você reinou! O SENHOR entregou o reino nas mãos de Absalão, seu filho! Eis que você foi apanhado em sua própria maldade, porque você é um homem sanguinário!”
9Toen zeide Abisjai, de zoon van Seroeja, tot den koning: Waarom moet die dode hond mijn heer en koning vloeken? Zal ik er heen gaan, om hem de kop af te slaan?
9Então Abisai, filho de Zeruia, disse ao rei: “Por que este cão morto deveria amaldiçoar o meu senhor, o rei? Por favor, deixe-me ir até lá e arrancar-lhe a cabeça.”
10Maar de koning sprak: Dat is mijn zaak niet, noch de uwe, zonen van Seroeja! Als hij vloekt, omdat Jahweh hem heeft ingegeven, David te vloeken, wie mag dan zeggen: Waarom doet ge dat?
10O rei disse: “O que tenho eu com vocês, filhos de Zeruia? Se ele amaldiçoa, e se o SENHOR lhe disse: 'Amaldiçoe a Davi', quem então dirá: 'Por que você fez isso?'”
11En David vervolgde tot Abisjai en tot heel zijn hof: Mijn bloedeigen kind staat mij naar het leven, laat staan dan deze Benjamiet! Laat hem maar vloeken; want Jahweh heeft het hem ingegeven.
11Davi disse a Abisai e a todos os seus servos: “Eis que o meu filho, que saiu das minhas entranhas, busca tirar a minha vida. Quanto mais agora este benjamita? Deixem-no em paz e deixem-no amaldiçoar; pois o SENHOR o ordenou.
12Misschien ziet Jahweh neer op mijn ellende, en vergeldt Hij mij die vloek van vandaag met iets goeds.
12Pode ser que o SENHOR olhe para a injustiça feita a mim, e que o SENHOR me retribua com o bem pela maldição que recebo hoje.”
13En David trok met zijn manschappen verder, terwijl Sjimi op de flank van de berg gelijk met hem op ging, vloekend, met stenen gooiend, en stof opjagend.
13Assim Davi e os seus homens seguiram pelo caminho; e Simei ia pela encosta do monte, do lado oposto a ele, e amaldiçoava enquanto ia, atirava pedras nele e jogava poeira.
14Uitgeput bereikte de koning met heel zijn gevolg de Jordaan, waar hij adem schepte.
14O rei e todo o povo que estava com ele chegaram exaustos; e ele se refrescou ali.
15Intussen was Absalom, vergezeld van Achitófel, met heel Israël te Jerusalem aangekomen.
15Absalão e todo o povo, os homens de Israel, chegaram a Jerusalém, e Aitofel com ele.
16Zodra Choesjai, de Arkiet, de vriend van David, bij Absalom kwam, riep hij Absalom toe: Leve de koning, leve de koning!
16Quando Husai, o arquita, amigo de Davi, chegou a Absalão, Husai disse a Absalão: “Viva o rei! Viva o rei!”
17Absalom vroeg Choesjai: Is dat nu uw trouwe vriendschap? Waarom zijt ge niet met uw vriend meegegaan?
17Absalão perguntou a Husai: “Esta é a sua lealdade para com o seu amigo? Por que você não foi com o seu amigo?”
18Choesjai gaf Absalom ten antwoord: Neen, ik behoor aan hem, die door Jahweh en dit volk en alle Israëlieten is uitverkoren, en bij hèm blijf ik.
18Husai respondeu a Absalão: “Não; mas a quem o SENHOR e este povo e todos os homens de Israel tiverem escolhido, dele serei, e com ele ficarei.
19Bovendien, aan wien kan ik beter mijn diensten aanbieden, dan aan zijn zoon? Zoals ik in dienst van uw vader geweest ben, zo wil ik het ook in de uwe zijn.
19Além disso, a quem eu deveria servir? Não deveria eu servir na presença do seu filho? Como servi na presença do seu pai, assim serei na sua presença.”
20Nu sprak Absalom tot Achitófel: Overlegt met elkaar, wat we moeten doen.
20Então Absalão disse a Aitofel: “Dê o seu conselho sobre o que devemos fazer.”
21En Achitófel gaf Absalom de raad: Begeef u naar de bijvrouwen van uw vader, die hij achtergelaten heeft, om het paleis te bewaken. Als heel Israël verneemt, dat ge u bij uw vader onmogelijk hebt gemaakt, zullen al uw aanhangers moed vatten.
21Aitofel disse a Absalão: “Deite-se com as concubinas do seu pai, que ele deixou para cuidarem da casa. Então todo o Israel ouvirá que você se tornou odioso para o seu pai. E as mãos de todos os que estão com você se fortalecerão.”
22Daarom werd er voor Absalom een tent gespannen op het dak, en begaf Absalom zich ten aanschouwen van heel Israël tot de bijvrouwen van zijn vader.
22Assim armaram uma tenda para Absalão no terraço da casa, e Absalão se deitou com as concubinas do seu pai, à vista de todo o Israel.
23Immers, een raad, die Achitófel gaf, gold in die dagen zoveel, als vroeg men een uitspraak van God; zoveel waarde had elke raad van Achitófel, zowel bij David als bij Absalom.
23O conselho de Aitofel, que ele dava naqueles dias, era como se alguém consultasse o oráculo de Deus. Todo o conselho de Aitofel era assim, tanto para Davi quanto para Absalão.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.