2 Samuel 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen David even voorbij de top was gekomen, kwam Siba, de dienaar van Mefibósjet, hem tegemoet met een koppel gezadelde ezels, beladen met tweehonderd broden, honderd rozijnenkoeken, honderd zomervruchten en een zak wijn.
1Ледві Давид перейшов через гору аж се йде зустріч Сиба, слуга Мемфівостеїв з парою ослів навючених, що несли на собі двістї боханцїв хлїба, сто вінків родзинків, сто вязанок фіґ і бурдюк вина.
2De koning vroeg aan Siba, wat hij daarmee wilde. Siba antwoordde hem: Op de ezels kan het hof van den koning rijden, het brood en de vruchten kunnen de soldaten eten, de wijn kan worden gedronken door hen, die uitgeput raken in de woestijn.
2І питає царь у Сиби: На що се в тебе? І відказує Сиба: Осли про царську челядь на їзду, хлїб і овощ на харч прислузї, а вино на питтє потомленим у пустинї.
3Daarop vroeg de koning: En waar is de zoon van uw meester? Siba antwoordde den koning: Die is in Jerusalem achtergebleven; hij denkt natuurlijk, dat het huis Israël hem nu herstellen zal in het koningschap van zijn vader.
3І питає царь: Де ж син твого пана? І відказує Сиба цареві: Зіставсь у Ерусалимі, бо каже: Тепер дом Ізрайлїв оддасть менї отецьке царство!
4Toen zeide de koning tot Siba: Zo; dan is alles, wat aan Mefibósjet behoort, voor u! Siba antwoordde: Ik betuig u mijn hulde, mijn heer en koning; moge ik genade vinden in uw ogen!
4І рече цар Сибі: Оце ж усе, що було Мемфівостеєве, нехай буде твоє. І сказав Сиба, падаючи ниць: Ой коли б ти був ласкавий до мене, царю й пане мій!
5Toen koning David Bachoerim bereikt had, kwam iemand van het geslacht van Sauls familie uit die plaats gelopen; hij heette Sjimi, en was een zoon van Gera. Al vloekend kwam hij naar buiten gelopen,
5Як дойшов же царь Давид до Бахурима, дивиться, йде звідти чоловік з родини Саулового дому, на ймя Семей Геренко; він ішов проклинаючи.
6en gooide met stenen naar David en naar alle dienaren van koning David, hoewel al het volk en heel de keurbende aan zijn rechter- en linkerhand gingen.
6Та й метав на Давида й на всїх слуг двору Давидового каміннєм, дарма що ввесь люд і всї лицарі йшли праворуч і лїворуч його.
7En dit kregen ze van den vloekenden Sjimi te horen: Eruit, bloedhond; eruit, Belialskind!
7І кричав Семей клянучи: Втїкай, втїкай, убийнику й безбожнику!
8Jahweh wreekt op u al het bloed van het huis van Saul, dien ge als koning hebt verdrongen; nu geeft Jahweh het koningschap over aan uw zoon Absalom. Ja, nu zit ge in de ellende, omdat ge een bloedhond zijt!
8Господь перенїс на тебе усю кров Саулового дому, що ти намість його зробивсь царем, і передав Господь царство твойму синові Абессаломові, а тепер прийшла на тобе лиха година, бо ти чоловік крові.
9Toen zeide Abisjai, de zoon van Seroeja, tot den koning: Waarom moet die dode hond mijn heer en koning vloeken? Zal ik er heen gaan, om hem de kop af te slaan?
9І каже Абесса Саруєнко цареві: Як важиться сей здохлий пес проклинати пана мого царя? Пійду й зітну йому голову!
10Maar de koning sprak: Dat is mijn zaak niet, noch de uwe, zonen van Seroeja! Als hij vloekt, omdat Jahweh hem heeft ingegeven, David te vloeken, wie mag dan zeggen: Waarom doet ge dat?
10Царь же рече: Яке вам дїло до мене, Саруєнки? Нехай він проклинає, бо се Господь допустив йому, проклинати Давида. Хто ж тут скаже: Як важишся ти на се?
11En David vervolgde tot Abisjai en tot heel zijn hof: Mijn bloedeigen kind staat mij naar het leven, laat staan dan deze Benjamiet! Laat hem maar vloeken; want Jahweh heeft het hem ingegeven.
11І говорив Давид Абессі й усему дворові свойму: Коли мій син, що вийшов із мого тїла, важить на мою душу, так ще більше сей Беняминїй. Не чіпай його, нехай проклинає, бо се повелїв йому Господь.
12Misschien ziet Jahweh neer op mijn ellende, en vergeldt Hij mij die vloek van vandaag met iets goeds.
12Може зглянеться Господь на моє пониженнє й відплатить менї добром за теперішний проклін.
13En David trok met zijn manschappen verder, terwijl Sjimi op de flank van de berg gelijk met hem op ging, vloekend, met stenen gooiend, en stof opjagend.
13От і йшов Давид із людьми своїми своєю дорогою. Семей же йшов попід горою поровень з ним; ійшов і проклинав та метав каміннєм і землею на них.
14Uitgeput bereikte de koning met heel zijn gevolg de Jordaan, waar hij adem schepte.
14І добравсь утомлений царь із усїм людом, що був при йому, (до Бахурима) й оддихав там.
15Intussen was Absalom, vergezeld van Achitófel, met heel Israël te Jerusalem aangekomen.
15Абессалом же з усїма мужами Ізрайлевими прийшов у Ерусалим та й Ахитофел із ним.
16Zodra Choesjai, de Arkiet, de vriend van David, bij Absalom kwam, riep hij Absalom toe: Leve de koning, leve de koning!
16Увійшовши ж до Абессалома Давидів приятель, Архієць Хусій, промовив: Витай царю! Витай царю.
17Absalom vroeg Choesjai: Is dat nu uw trouwe vriendschap? Waarom zijt ge niet met uw vriend meegegaan?
17І питає Абессалом Хусія: Така ж твоя прихильність до твого приятеля? Чому ти не пійшов з твоїм приятельом?
18Choesjai gaf Absalom ten antwoord: Neen, ik behoor aan hem, die door Jahweh en dit volk en alle Israëlieten is uitverkoren, en bij hèm blijf ik.
18І відказує Хусій Абессаломові: Кого вибрав Господь і сей люд і ввесь Ізраїль, до того й я горнусь і при тому зостанусь.
19Bovendien, aan wien kan ik beter mijn diensten aanbieden, dan aan zijn zoon? Zoals ik in dienst van uw vader geweest ben, zo wil ik het ook in de uwe zijn.
19Се одно; а друге: кому ж я маю служити? Чи ж не синові його? Як служив я твойму панотцеві, так служити му й тобі.
20Nu sprak Absalom tot Achitófel: Overlegt met elkaar, wat we moeten doen.
20І поспитав Абессалом ув Ахитофеля: Порадь нас, що нам чинити?
21En Achitófel gaf Absalom de raad: Begeef u naar de bijvrouwen van uw vader, die hij achtergelaten heeft, om het paleis te bewaken. Als heel Israël verneemt, dat ge u bij uw vader onmogelijk hebt gemaakt, zullen al uw aanhangers moed vatten.
21І відказує Ахитофел Абессаломові: Удайся до панотцевих наліжниць, що він зоставив тут стерегти палату; й почує про се Ізраїль, що зробився ти ненавидним панотцеві твойму, й всї твої прихильники наберуть духа.
22Daarom werd er voor Absalom een tent gespannen op het dak, en begaf Absalom zich ten aanschouwen van heel Israël tot de bijvrouwen van zijn vader.
22І напяли Абессаломові намет на крівлї, й ввійшов Абессалом перед очима всего Ізраїля до наложниць отця свого.
23Immers, een raad, die Achitófel gaf, gold in die dagen zoveel, als vroeg men een uitspraak van God; zoveel waarde had elke raad van Achitófel, zowel bij David als bij Absalom.
23Рада ж Ахитофелева була здавна така важка, неначе рада самого Бога. Такою була всяка рада Ахитофелева й в Давида й в Абессалома.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.