2 Samuel 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Men berichtte aan Joab, dat de koning weende en weeklaagde over Absalom.
1Як переказано Йоабові: Царь плаче та побивається по Абессаломові,
2En de overwinning van die dag veranderde in rouw voor heel het volk, daar het volk die dag had vernomen, dat de koning bedroefd was om zijn zoon.
2Тодї в той день і побіда обернулась у печаль всьому людові, бо люд того дня чув, як говорено: Царь побивається по синові!
3Tersluiks sloop het volk die dag de stad binnen, zoals volk komt binnensluipen, dat zich moet schamen, omdat het in de strijd is gevlucht.
3І ввіходив того дня люд крадькома в город, як прокрадується те військо, що вкрило себе соромом, утїкаючи з бою.
4Maar de koning hield zijn gelaat bedekt en bleef luidkeels wenen: Mijn zoon, Absalom, Absalom mijn zoon, mijn zoon!
4Царь же закрив собі лице, й плакав голосно: Сину мій, Абессаломе! Абессаломе, мій сину, мій сину!
5Daarom ging Joab bij den koning binnen en sprak: Vandaag hebt gij al uw aanhangers teleurgesteld: de mensen, die heden het leven gered hebben van u, van uw zonen en dochters en van uw vrouwen en bijvrouwen!
5І ввійшов Йоаб до царя та й каже: Сьогоднї ти зневажив усї слуги твої, що вирятували тебе, твоїх синів і дочки, твої жени й наложницї від смертї,
6Die u haten, trekt ge voor; die van u houden stelt ge achter. Vandaag hebt ge laten merken, dat legeroversten en soldaten bij u niet in tel zijn. Heden heb ik begrepen, dat het u dán naar de zin zou zijn, als Absalom leefde, en wij allen vandaag maar waren gesneuveld!
6Бо тим, хто зненавидїв тебе, показав єси прихильність, а тим, хто прихилявся до тебе — ненависть. Сьогоднї обявив єси, що в тебе нїзащо гетьмани й слуги; сьогоднї взнав я, що коли б Абессалом остав був жив, а ми всї погибили, се тебе задовольнило б уповнї.
7Welnu dan, sta op, ga naar buiten, en spreek uw mannen vriendelijk toe. Want ik zweer u bij Jahweh; als ge niet naar buiten gaat, blijft er vannacht geen man bij u! Dat zou een grotere ramp voor u zijn, dan al het onheil, dat u van uw jeugd af tot vandaag heeft getroffen.
7Устань же! вийди й заговори приязно до підданих твоїх, бо присягаюсь тобі Господом: Як не вийдеш до люду, так іще сієї ночі не зостанеться в тебе нї чоловіка, а се буде гірше, нїж усе те лихо, якого дознав єси від молодощів твоїх та й до сього часу.
8Nu stond de koning op en nam plaats in de poort. En toen heel het volk de tijding vernam, dat de koning in de poort had plaats genomen, liep al het volk voor den koning te hoop.
8І встав царь і сїв у ворот. І сповіщено всьому народові, що царь седить у брамі, й ввесь люд прийшов перед царя; Ізрайлитяне ж порозбігались по шатрах своїх.
9Nadat de Israëlieten dus allen naar hun woonplaatsen waren gevlucht, ontstond er onder alle stammen van Israël een algemene ontevredenheid. Men zeide: De koning heeft ons uit de hand van onze vijanden bevrijd en ons gered uit de hand der Filistijnen; en toch heeft hij voor Absalom uit het land moeten vluchten.
9Увесь же народ по всїх поколїннях Ізрайлевих перечився між собою й говорив: Царь визволив нас з потали в наших ворогів, визволив із рук Филистіїв, а тепер утїк перед Абессаломом із царства;
10Maar nu is Absalom, dien we tot koning gezalfd hebben, in de strijd gesneuveld. Waarom draalt gij dan nog, om den koning terug te halen naar zijn paleis?
10Та Абессалом, що ми помазали його над нами, полїг у бою; чого ж гаєтесь привернути царя?
11Toen koning David van die stemming onder heel Israël hoorde, liet hij aan de priesters Sadok en Ebjatar weten: Gij moet tot de oudsten van Juda zeggen: Waarom zoudt gij de laatsten zijn, om den koning terug te halen naar zijn paleis?
11А слова сї всього Ізраїля дойшли до царя. І послав царь до сьвященників Садока та Абіятара і повелїв сказати: Розмовтесь з громадськими мужами Юдиними та й скажіть їм: Чи ви хочете остатись послїдними в тому, щоб царя відпровадити в його палату?
12Gij zijt mijn broeders, gij zijt mijn vlees en bloed; waarom zoudt gij dan de laatsten zijn, om den koning terug te halen?
12Ви ж мої одноплемінники, моє тїло ви й костї; чому ж хочете бути послїдними в приверненню царя?
13En tot Amasa moet gij zeggen: Ook gij zijt mijn vlees en bloed. God moge zo met mij doen en nog erger: gij zult voortaan als legeroverste in mijn dienst staan, in plaats van Joab.
13Та й Амазї скажіте: Ти ж моє тїло й кість моя. Нехай Бог удїє зо мною що схоче, коли не будеш у мене, поки жив, намість Йоаба гетьманом!
14Zo won hij het hart van alle Judeërs, en ze vroegen eensgezind aan den koning: Kom terug met heel uw aanhang!
14І прихилив він серце всїх Юдеїв, так що вони одностійно послали до царя: Вертайсь назад із усїм двором твоїм.
15Toen begaf de koning zich op de terugweg, en bereikte de Jordaan. En de Judeërs waren naar Gilgal gekomen, om den koning tegemoet te gaan, en hem te helpen bij zijn overtocht over de Jordaan.
15От і вертав царь назад і прибув до Йорданї, а Юдеї прийшли в Галгал, щоб стрічати царя й переправити через Йордань.
16Behalve de Judeërs had ook Sjimi, de zoon van Gera, de Benjamiet uit Bachoerim, zich haastig op weg begeven, en was koning David
16Та й Беняминїй Семей Геренко з Бахуриму поквапивсь із Юдеями зустріч цареві Давидові,
17met duizend man uit Benjamin tegemoet getrokken. Ook Sjiba, de dienaar van het huis van Saul, spoedde zich met zijn vijftien zonen en twintig knechten naar den koning bij de Jordaan,
17А з ним тисяча чоловіка з Бенямину, та й Саулів домовий слуга Сиба, з пятнайцятьма синами своїми й двайцятьма рабами кинулись в Йордань,
18en stak de overgang over, om de koninklijke familie bij de overtocht te helpen en naar ‘s konings wensen te handelen. Toen Sjimi, de zoon van Gera, de Jordaan was overgestoken, viel hij voor den koning neer,
18І перебріли вони брід, щоб родину царську перевезти й йому послужити. А як тільки царь переправивсь через Йордань, кинувсь Семей Геренко перед царем на лице своє,
19en sprak tot den koning: Moge mijn heer mij de schuld niet aanrekenen, en niet denken aan wat uw dienaar misdaan heeft, toen mijn heer en koning uit Jerusalem trok. Dat de koning er geen aandacht aan schenke;
19Та й промовив до царя: Нехай мій пан не поставить в провину й забуде про те, чим проступився твій раб того дня, як мій пан і царь покинув Ерусалим, й не передержуй того в серцї своїм;
20want uw dienaar weet, dat hij misdaan heeft. Daarom ben ik nu ook de eerste van heel het huis Josef, die mijn heer en koning tegemoet is gesneld.
20Знає бо раб твій, що провинив; то ж отсе прийшов я на зустріч мойму цареві й панові, яко первий з усього дому Йосифового.
21Abisjai, de zoon van Seroeja, verzette zich ertegen en zeide: Neen, Sjimi moet sterven, omdat hij den gezalfde van Jahweh gevloekt heeft!
21І озвавсь Абесса Саруєнко та й каже: Чи вже ж Семей не наложить головою за те, що проклинав помазанника Господнього?
22Maar David sprak: Wat moet dat betekenen, zonen van Seroeja? Waarom zoudt gij mij vandaag willen tegenwerken? Mag vandaag iemand in Israël sterven; vandaag, nu ik weet, dat ik weer koning ben?
22Однако ж Давид відказав: Що за дїло між вами й мною, Саруєнки, що ви мене спокушуєте тепер? Чи годиться ж сьогоднї кого в Ізраїлї тратити? Чи я не знаю, що сьогоднї я царь над Ізраїлем?
23En tot Sjimi sprak de koning: Ge zult niet sterven! En de koning bezwoer het hem zelfs.
23От і рече царь Семеєві: Ти не вмреш, та й поклявсь йому царь.
24Ook Mefibósjet, de zoon van Saul, was den koning tegemoet gekomen. Hij had zijn voeten niet verzorgd, zijn baard niet gekamd, en zijn kleren niet gewassen van de dag af, dat de koning heenging, tot de dag, dat hij ongedeerd terugkwam.
24І Мемфівостей, внук Саулів, вийшов назустріч цареві. Не мив він собі ніг, не розчісував бороди й не прав одїжі своєї з того дня, як вийшов царь, до того дня, як він вертався здоровий.
25Toen hij nu uit Jerusalem den koning tegemoet kwam, zeide deze tot hem: Waarom zijt ge niet met mij meegegaan, Mefibósjet?
25Як він прибув із Ерусалиму на зустріч цареві, спитав його царь: Чом ти не пійшов зо мною, Мемфівостею?
26Hij antwoordde: Mijn heer en koning, mijn knecht heeft mij bedrogen! Want uw dienaar had hem bevolen, een ezelin te zadelen, om daarop den koning te volgen; want uw dienaar is kreupel.
26І відказав той: Мій пане й царю! слуга мій зрадив мене. Бо я звелїв йому: Осїдлай менї осла, я поїду з царем, бо раб твій кульгавий,
27Hij heeft dus uw dienaar bij mijn heer en koning belasterd. Maar mijn heer en koning is als een engel van God! Doe dus wat u goeddunkt.
27А він оскаржив твого раба перед моїм царем і паном. Однак же мій пан і царь рівен із ангелом Божим; то ж і чини, що тобі до вподоби.
28Want ofschoon het gehele huis van mijn vader niets anders van u te verwachten had dan de dood, hebt gij uw dienaar een plaats gegeven bij uw tafelgenoten. Wie zou me dus beter recht verschaffen? Zo bleef hij bij den koning maar aanhouden.
28Уся моя родина не могла нїчого ждати від мого пана й царя, як хиба тільки смертї, а ти раба твого прийняв між твої сутрапезники; яке ж іще маю я право жалуватись; чого менї ще допевнятись у царя?
29Maar de koning sprak tot hem: Waarom nog zoveel woorden verspild? Bij deze bepaal ik: Gij en Siba moeten het grondbezit delen.
29І відказав йому царь: На що стільки слів тратити? Призначую: Ти подїлишся добром із Сибою.
30En Mefibósjet sprak tot den koning: Hij mag alles nemen, nu mijn heer en koning behouden is teruggekeerd.
30І відказав Мемфівостей цареві: Нехай він хоч і все забере собі, добре, що мій пан і царь в мирі вернувсь до дому.
31ok Barzillai, de Giladiet, was uit Rogelim gekomen, om den koning bij de overtocht over de Jordaan te helpen, en hem aan de Jordaan uitgeleide te doen.
31Прийшов і Галаадїй Берзеллїй з Роглиму й перейшов з царем Йордань, щоб його провести за Йордань.
32Barzillai was zeer oud, een man van tachtig jaar. Hij was het, die den koning tijdens zijn verblijf te Machanáim van levensmiddelen had voorzien; want hij was een zeer welvarend man.
32Берзеллїй же був дуже старий чоловік, лїт вісїмдесятьох. Він обмислив царя під час його побуту в Махаїмі, був бо собі вельми заможний?
33de koning sprak tot Barzillai: Ge moet met mij oversteken; dan zal ik bij mij in Jerusalem op uw oude dag voor u zorgen.
33І сказав царь Берзеллїєві: Ійди зо мною, а я буду обмисляти тебе в Ерусалимі.
34Maar Barzillai gaf den koning ten antwoord: Hoeveel jaren heb ik nog te leven, dat ik met den koning naar Jerusalem zou gaan?
34Берзеллїй же відказав цареві: Скільки ще віку мого, щоб менї йти з царем у Ерусалим?
35Ik ben nu tachtig jaar. Kan ik nog iets onderscheiden; proeft uw dienaar nog iets van wat hij eet en drinkt; luister ik nog naar zangers en zangeressen? Waarom zou uw dienaar mijn heer en koning tot last zijn?
35Вісїмдесять год уже віку мого. Чи розберу ж я, що добре, а що недобре? або чи смакувати ме твій раб у тому, що їсти ме й що пити ме? Або ж хиба я ще наджусь на голоси сьпіваків і сьпівачок? Чого ж має раб твій бути тягарем панові мойму цареві?
36Uw dienaar zou ternauwernood met den koning de Jordaan kunnen oversteken. Waarom zou de koning mij dus op deze wijze belonen?
36Трошки проведе раб твій царя за Йордань, за що ж, царю, такою милостю менї віддячувати?
37Laat uw dienaar terugkeren, en laat mij sterven in mijn woonplaats, bij het graf van mijn vader en moeder. Maar hier is uw dienaar Kimham; laat hem met mijn heer en koning oversteken, en doe met hem wat u goeddunkt!
37Дозволь твойму кметеві вернутись, щоб умерти в батьківському городї мойму коло гробу мого панотця й моєї паніматки. А ось твій раб (син мій) Кимгам нехай би йшов із паном і царем. Чини з ним, що тобі до вподоби.
38Toen sprak de koning: Kimham zal met mij oversteken, en ik zal met hem doen wat u goeddunkt, en al uw wensen vervullen.
38І відказав царь: Нехай же Кимгам ійде зо мною. Я з ним чинити му, що тобі здасться добрим, і все, чого ти коли від мене схочеш, учиню для тебе.
39Terwijl al het volk de Jordaan overstak, bleef de koning nog staan, kuste Barzillai en nam afscheid van hem; en deze keerde naar zijn woonplaats terug.
39Як перебрів Йордань увесь військовий люд, а з ним і царь, поцїлував царь Берзеллїя й благословив його, й вернувсь той у свою домівку.
40Toen stak ook de koning over naar Gilgal, vergezeld van Kimham; en al het volk van Juda met een deel van het volk van Israël hielp den koning bij de overtocht.
40І двинув царь у Галгал, і пійшов з ним і Кимгам, та й ввесь народ Юдин провожав царя, так само й половина люду Ізрайлевого.
41Maar nu kwamen alle Israëlieten tot den koning, en zeiden tot hem: Waarom hebben onze broeders, de Judeërs, u ingepalmd en den koning met zijn familie over de Jordaan gebracht, ofschoon álle mannen van David zijn volk zijn?
41Аж ось прийшли всї мужі Ізраїльські до царя, й сказали цареві: Чому се наші браття, мужі Юдині, потай нас перевели царя й дом його й усїх людей Давидових через Йордань?
42En heel Juda gaf Israël ten antwoord: Omdat de koning aan ons verwant is! Waarom zijt gij daar kwaad over? Hebben wij soms iets van den koning genoten, of heeft hij ons soms geschenken gebracht?
42І відказали всї мужі Юдині Ізрайлитянам: Царь же нам родич. Чого вам сердитись за се? Хиба ми зʼїли що від його, або він обдарував нас чим?
43Maar Israël viel tegen de Judeërs uit: Tien delen van den koning behoren aan mij; bovendien ben ik met meer recht de eerstgeborene dan gij. Waarom hebt gij mij dan vernederd? Heb ik niet het eerst besloten, mijn koning terug te halen? Maar het antwoord van de Judeërs was nog heftiger, dan wat de Israëlieten hadden gezegd.
43Ізрайлитяне ж відказували мужам Юдиним: Наших частин у царя в десятеро, тако ж і в Давида ми більші за вас; чому ж ви змаловажили нас? хиба не нам належався первий голос, щоб вернути царя назад? Та слово мужів Юдиних дужче було, нїж слово Ізрайлитян.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.