2 Samuel
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het werd een langdurige oorlog tussen de familie van Saul en de familie van David. Maar terwijl David steeds machtiger werd, verzwakte de familie van Saul hoe langer hoe meer.
1І тяглась довго незгода між домом Сауловим і домом Давидовим; та Давид усе більш та більш убивавсь у потугу, дом же Саулів усе слабшав.
2Te Hebron kreeg David de volgende kinderen. De oudste was Amnon, van Achinóam uit Jizreël;
2І народились Давидові сини в Гебронї: перворідень його був Амнон від Ахиноами з Езрееля;
3de tweede Kilab, van Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel; de derde Absalom, een zoon van Maäka, een dochter van Talmai, den koning van Gesjoer;
3А другий Далуя від Абигеї, жінки Кармелїя Набала; третий Авессалом, син Маахи, дочки царя Талмая Гессурського;
4de vierde Adonija, de zoon van Chaggit; de vijfde Sjefatja, de zoon van Abital;
4Четвертий Адонїя, син Аггити; пятий Сафатія, син Авитали;
5de zesde Jitream, van Davids vrouw Egla. Deze kinderen kreeg David te Hebron.
5Шестий Етераам, від жони Давидової Егли. Сї породились Давидові в Гебронї.
6Terwijl de oorlog tussen de familie van Saul en de familie van David voortduurde, werd Abner geleidelijk heer en meester in het huis van Saul.
6Покіль тяглась незгода між домом Сауловим і домом Давидовим, стояв Абенир твердо за дом Саулів.
7Nu had Saul een bijvrouw gehad, Rispa genaamd, de dochter van Ajja, welke Abner zich tot vrouw had genomen. Isj-Bósjet verweet Abner dan ook: Waarom hebt ge u afgegeven met de bijvrouw van mijn vader?
7У Саула ж та була наложниця на імя Рицпа, дочка Айя. І поспитав ув Абенира Саулів син Евостей: Чому ввійшов єси до наложницї панотця мого?
8Hevig verontwaardigd over het verwijt van Isj-Bósjet, gaf Abner ten antwoord: Ben ik soms een Judese hondsvot? Juist ben ik bezig, aan de familie van uw vader Saul, aan zijn broers en verwanten een dienst te bewijzen, door u niet in handen van David te laten vallen, en nu komt ge me verwijten doen over een vrouw!
8За се питаннє розсердивсь Абенир вельми, та й каже: Хиба ж я песя голова? Воюючи проти Юди вчинив я милосердє домові Саула, батька твого, ріднї його й приятелям його й не віддав тебе Давидові в руки, а ти дорікаєш оце менї за жінку!
9God moge Abner zo doen en nog erger, als ik niet voor David waar maak, wat Jahweh hem bezworen heeft:
9Нехай удїє Господь Абенирові сяк і так — як поклявся Давидові Господь, те я й учиню йому:
10het koningschap aan de familie van Saul te ontnemen en de troon van David op te richten over Israël en Juda. Van Dan tot Beër-Sjéba.
10Одійму царство домові Сауловому, та й поставлю престол Давидові над Ізраїлем й над Юдою від Дана аж до Берсабії.
11En Isj-Bósjet durfde Abner geen woord meer zeggen, zo bang was hij voor hem.
11І не зваживсь Евостей відказати нї слова Абенирові, бо боявсь його.
12Toen stuurde Abner achter hem om boden naar David, en liet hem zeggen: Wie is feitelijk meester in het land? Sluit dus een verbond met mij; ik kan u helpen, om heel Israël uw partij te doen kiezen.
12От і шле Абенир посли до Давида в Геброн, сказати йому: Чия ж се земля? і дальше сказати: Вчини зо мною вмову, й рука моя буде з тобою й приверну до тебе всього Ізраїля.
13Hij antwoordde: Goed, ik zal een verbond met u sluiten, maar op één voorwaarde: Ge behoeft niet voor mij te verschijnen, of ge moet Mikal, de dochter van Saul, meebrengen, wanneer ge bij mij uw opwachting maakt.
13І відказав той: Добре, вчиню з тобою вмову, тільки вимагаю від тебе одного, от чого: не побачиш лиця мого, як не приведеш Саулової дочки Мелхоли, як сам прибудеш, щоб бачитись зо мною.
14Daarna zond David boden naar Isj-Bósjet, den zoon van Saul, en liet hem zeggen: Geef mij mijn vrouw Mikal terug, die ik mij verworven heb voor honderd voorhuiden van Filistijnen.
14І послав Давид посли ще й до Саулового сина Евостея з вимаганнєм: Оддай менї жону мою Мелхолу, що висватав я за сотню Филистійських передних шкірок.
15En Isj-Bósjet liet haar weghalen van haar man Paltiël, den zoon van Láisj.
15І послав Евостей, одняти її в її супруга Фалтія Лайшенка.
16Haar man ging met haar mee, en volgde haar al wenend tot Bachoerim. Maar toen beet Abner hem toe: Maak dat je weg komt. En hij keerde terug.
16Супруг її проводжав її плачучи до Багуриму; та Абенир сказав йому: Ійди до дому! І вернувся він до дому.
17Intussen had Abner met de oudsten van Israël als volgt onderhandeld en hun gezegd: Al vroeger hebt gij David als koning over u willen hebben.
17Увійшов же Абенир у переговори з громадськими мужами в Ізраїлї й говорив: Давно вже ви бажали собі Давида царем;
18Welnu dan, zet dat plan door; want Jahweh heeft tot David gesproken: Door de hand van mijn dienaar David zal Ik mijn volk uit de macht van de Filistijnen en van al zijn vijanden bevrijden.
18Вчинїте ж се тепер, обітував бо Давидові Господь: Рукою раба мого визволю я люд мій Ізраїля з рук Филистіїв і всїх ворогів його.
19Ook met Benjamin had Abner onderhandeld. Nu ging Abner aan David in Hebron alles mededelen, wat Israël en geheel het volk van Benjamin hadden besloten.
19Так само промовляв Абенир і Беняминїям. І пустивсь Абенир в Геброн, щоб переказати Давидові все, чого бажав Ізраїль і ввесь рід Беняминів.
20En toen Abner met een gevolg van twintig man bij David in Hebron gekomen was, en David voor Abner en zijn gevolg een feestmaal had aangericht,
20Як же прибув Абенир у товаристві двайцятьох мужів громадських до Давида в Геброн, справив Давид Абенирові й бувшим із ним бенкет.
21zeide Abner tot David: Ik wil heengaan, en heel Israël bij mijn heer en koning brengen, om een verbond met u te sluiten; zo zult gij koning zijn, juist zoals gij het wenst. Daarop liet David Abner ongehinderd vertrekken.
21І каже Абенир Давидові: Я виберусь і пійду та поскуплюю докупи ввесь Ізраїль, щоб учинили вмову з моїм паном, тодї ти будеш царем так широко, як схоче душа твоя. І відпустив Давид Абенира, й він відійшов з упокоєм у дорогу.
22Maar zie, daar kwam juist Joab met de manschappen van David van een strooptocht thuis, met een grote buit bij zich. Abner was toen niet meer in Hebron bij David, want deze had hem ongehinderd laten vertrekken.
22Аж ось несподївано прийшли Давидові військові з Йоабом з одного походу додому й принесли велику здобич, тим часом як Абенира не було вже в Давида в Гебронї, сей бо одпустив його з упокоєм.
23Toen dan Joab met zijn gevolg was aangekomen, en men hem vertelde, dat Abner, de zoon van Ner, bij den koning geweest was, en dat deze hem ongehinderd had laten vertrekken,
23Як же вернувсь додому Йоаб із усїм військом, переказують Йоабові: Абенир Ниренко гостював у Давида, і він одспустив його з упокоєм.
24meldde Joab zich bij den koning en zeide: Wat hebt gij gedaan? Daar is Abner bij u geweest! Waarom toch hebt gij hem laten vertrekken?
24І прийшов Йоаб до царя й каже: Що ти вчинив? Оце гостював у тебе Абенир, на що ж ти відпустив його звідсї?
25Begrijpt gij dan niet, dat Abner, de zoon van Ner, gekomen is, om u te misleiden, om uw doen en laten te bespieden, en alles te weten te komen wat gij onderneemt?
25Хиба тобі не в догад, що Абенир Ниренко приходив, щоб тебе перехитрити й взнати виходи й входи твої, та розвідати все, що ти чиниш.
26En van David heengegaan, zond Joab boden achter Abner aan, die hem, zonder dat David het wist, terugriepen van de Sira-put.
26І вийшовши Йоаб від Давида, послав гонцїв за Абениром, і завернули його від криницї Сири, а Давид про се й не знав.
27Toen Abner naar Hebron terugkeerde, trok Joab hem in de poort terzijde, als wilde hij rustig met hem spreken. Daar stak hij hem in de buik en vermoordde hem, om het bloed van zijn broer Asaël te wreken.
27Як же вернувсь Абенир у Геброн, одвів його Йоаб на бік у середину воріт, нїби на те, щоб із ним тайно поговорити, й тут кольнув його в живіт. І вмер Абенир за кров Асаїла, брата Йоабового.
28Toen David het later vernam, zeide hij: Ik en mijn koninkrijk zullen voor Jahweh voor altijd onschuldig zijn aan het bloed van Abner, den zoon van Ner.
28Як же сказано про се Давидові, то він заговорив: Не винен я й царство моє перед Господом за кров Абенира Ниренка;
29Het moge neerkomen op het hoofd van Joab en van heel zijn familie. Steeds moge er in de familie van Joab iemand zijn, die aan vloeiing of melaatsheid lijdt, die op krukken gaat, door het zwaard komt te vallen of broodsgebrek heeft!
29Нехай вона впаде на голову Йоабову і всю родину батька його, й нехай у родинї в його не переводяться нїколи такі, що недугують течивом або проказою, такі, що ходять на деревяній нозї, що падають од меча або седять без хлїба!
30Joab en zijn broer Abisjai hebben Abner vermoord, omdat hij bij Gibon Asaël, hun broer, in het gevecht had gedood.
30Йоаб же й брат його Авесса стратили Абенира за те, що вбив їх брата Асаїла в бою під Габаоном.
31En David sprak tot Joab en tot heel zijn gevolg: Scheurt uw klederen, slaat een zak om uw middel, en treurt om Abner! Zelf ging koning David achter de baar,
31І повелїв Давид Йоабові й усїм прибічникам його: Пороздирайте одежу на собі й йдїте голосючи перед Абениром. Та й царь Давид ійшов за марами.
32toen men Abner in Hebron begroef. De koning weende aan het graf van Abner met luider stem en alle aanwezigen waren bedroefd.
32І як поховали Абенира в Гебронї, то плакав Давид над гробом Абенировим у голос і плакав так само ввесь люд.
33Toen hief de koning een klaagzang aan op Abner en sprak: Moest Abner als een goddeloze sterven?
33І оплакуючи Абенира та нарікаючи, промовляв він: Чи то ж смерттю підляки вмірати було Абенирові?
34Uw handen waren nimmer geboeid, Uw voeten nimmer in ketenen geklonken! Moest gij vallen, zoals booswichten vallen? Daardoor betreurde heel het volk Abner nog meer.
34Руки тобі не звязано, ноги тобі не сковано, й поляг ти, як полягають хиба від розбійників. І плакав по йому ще більш увесь люд.
35En toen heel het volk, terwijl het nog dag was, David tot eten wilde bewegen, zwoer David: Zo mag God met mij doen, en nog erger, als ik voor zonsondergang brood of wat dan ook aanraak.
35Ще був ясний день, як прийшов люд силувати Давида, щоб чого небудь попоїв. Давид же заклявсь: Щоб менї Господь те й те вдїяв та ще й причинив, коли їсти му хлїб або що небудь, покіль зайде сонце!
36Heel het volk merkte het, en het maakte een goede indruk op hen, zoals trouwens alles wat de koning deed door heel het volk werd toegejuicht.
36Як довідавсь про се ввесь народ, то вподобав собі вельми, та й усе також, що царь чинив, подобалось людові.
37Die dag erkende heel het volk en heel Israël, dat het niet van den koning was uitgegaan, om Abner, den zoon van Ner, te vermoorden.
37І впевнився люд і ввесь Ізраїль того дня, що вбито Абенира Ниренка не по царському наказові.
38Bovendien sprak de koning tot zijn gevolg: Begrijpt gij niet, dat heden een vorst en edelman aan Israël is ontvallen?
38І сказав царь прибічникам своїм: Чи знаєте, що того дня полїг воєначальник і великий муж ув Ізраїлї?
39Nu ben ik nog te zwak, ofschoon ik tot koning gezalfd ben; die lieden, de zonen van Seroeja, zijn mij te sterk. Moge dus Jahweh de boosdoeners naar hun boosheid vergelden.
39Я ж іще слабий, хоч і помазано мене на царство; тим часом сї люде, сини Саруїні, переважують мене; нехай же Господь одплатить по заслузї тому, хто чинить ледарство!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.