2 Samuel 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Het werd een langdurige oorlog tussen de familie van Saul en de familie van David. Maar terwijl David steeds machtiger werd, verzwakte de familie van Saul hoe langer hoe meer.
1و جنگ در میان خاندان شاول و خاندان داود به طول انجامید و داود روز به روزقوت میگرفت و خاندان شاول روز به روزضعیف میشدند.
2Te Hebron kreeg David de volgende kinderen. De oudste was Amnon, van Achinóam uit Jizreël;
2و برای داود در حبرون پسران زاییده شدند، و نخست زادهاش، عمون، از اخینوعم یزرعیلیه بود.
3de tweede Kilab, van Abigáil, de vrouw van Nabal uit Karmel; de derde Absalom, een zoon van Maäka, een dochter van Talmai, den koning van Gesjoer;
3و دومش، کیلاب، از ابیجایل، زن نابال کرملی، و سوم، ابشالوم، پسر معکه، دختر تلمای پادشاه جشور.
4de vierde Adonija, de zoon van Chaggit; de vijfde Sjefatja, de zoon van Abital;
4و چهارم ادونیا، پسر حجیت، وپنجم شفطیا پسر ابیطال،
5de zesde Jitream, van Davids vrouw Egla. Deze kinderen kreeg David te Hebron.
5و ششم، یترعام ازعجله، زن داود. اینان برای داود در حبرون زاییده شدند.
6Terwijl de oorlog tussen de familie van Saul en de familie van David voortduurde, werd Abner geleidelijk heer en meester in het huis van Saul.
6و هنگامی که جنگ در میان خاندان شاول وخاندان داود میبود، ابنیر، خاندان شاول راتقویت مینمود.
7Nu had Saul een bijvrouw gehad, Rispa genaamd, de dochter van Ajja, welke Abner zich tot vrouw had genomen. Isj-Bósjet verweet Abner dan ook: Waarom hebt ge u afgegeven met de bijvrouw van mijn vader?
7و شاول را کنیزی مسمی به رصفه دختر ایه بود، و ایشبوشت به ابنیر گفت: «چرا به کنیز پدرم درآمدی؟»
8Hevig verontwaardigd over het verwijt van Isj-Bósjet, gaf Abner ten antwoord: Ben ik soms een Judese hondsvot? Juist ben ik bezig, aan de familie van uw vader Saul, aan zijn broers en verwanten een dienst te bewijzen, door u niet in handen van David te laten vallen, en nu komt ge me verwijten doen over een vrouw!
8و خشم ابنیر بهسبب سخن ایشبوشت بسیار افروخته شده، گفت: «آیا من سر سگ برای یهودا هستم و حال آنکه امروز به خاندان پدرت، شاول، و برادرانش واصحابش احسان نمودهام و تو را بهدست داودتسلیم نکردهام که بهسبب این زن امروز گناه بر من اسناد میدهی؟
9God moge Abner zo doen en nog erger, als ik niet voor David waar maak, wat Jahweh hem bezworen heeft:
9خدا مثل این و زیاده از این به ابنیر بکند اگر من به طوری که خداوند برای داودقسم خورده است، برایش چنین عمل ننمایم.
10het koningschap aan de familie van Saul te ontnemen en de troon van David op te richten over Israël en Juda. Van Dan tot Beër-Sjéba.
10تا سلطنت را از خاندان شاول نقل نموده، کرسی داود را بر اسرائیل و یهودا از دان تا بئرشبع پایدار گردانم.»
11En Isj-Bósjet durfde Abner geen woord meer zeggen, zo bang was hij voor hem.
11و او دیگر نتوانست در جواب ابنیر سخنی گوید زیرا که از او میترسید.
12Toen stuurde Abner achter hem om boden naar David, en liet hem zeggen: Wie is feitelijk meester in het land? Sluit dus een verbond met mij; ik kan u helpen, om heel Israël uw partij te doen kiezen.
12پس ابنیر در آن حین قاصدان نزد داودفرستاده، گفت: «این زمین مال کیست؟ و گفت تو بامن عهد ببند و اینک دست من با تو خواهد بود تاتمامی اسرائیل را به سوی تو برگردانم.»
13Hij antwoordde: Goed, ik zal een verbond met u sluiten, maar op één voorwaarde: Ge behoeft niet voor mij te verschijnen, of ge moet Mikal, de dochter van Saul, meebrengen, wanneer ge bij mij uw opwachting maakt.
13اوگفت: «خوب، من با تو عهد خواهم بست ولیکن یک چیز از تو میطلبم و آن این است که روی مرانخواهی دید، جز اینکه اول چون برای دیدن روی من بیایی میکال، دختر شاول را بیاوری.»
14Daarna zond David boden naar Isj-Bósjet, den zoon van Saul, en liet hem zeggen: Geef mij mijn vrouw Mikal terug, die ik mij verworven heb voor honderd voorhuiden van Filistijnen.
14پس داود رسولان نزد ایشبوشت بن شاول فرستاده، گفت: «زن من، میکال را که برای خود به صد قلفه فلسطینیان نامزد ساختم، نزد من بفرست.»
15En Isj-Bósjet liet haar weghalen van haar man Paltiël, den zoon van Láisj.
15پس ایشبوشت فرستاده، او را از نزد شوهرش فلطئیل بن لایش گرفت.
16Haar man ging met haar mee, en volgde haar al wenend tot Bachoerim. Maar toen beet Abner hem toe: Maak dat je weg komt. En hij keerde terug.
16و شوهرش همراهش رفت و در عقبش تا حوریم گریه میکرد. پس ابنیر وی را گفت: «برگشته، برو.» و اوبرگشت.
17Intussen had Abner met de oudsten van Israël als volgt onderhandeld en hun gezegd: Al vroeger hebt gij David als koning over u willen hebben.
17و ابنیر با مشایخ اسرائیل تکلم نموده، گفت: «قبل از این داود را میطلبیدید تا بر شماپادشاهی کند.
18Welnu dan, zet dat plan door; want Jahweh heeft tot David gesproken: Door de hand van mijn dienaar David zal Ik mijn volk uit de macht van de Filistijnen en van al zijn vijanden bevrijden.
18پس الان این را به انجام برسانیدزیرا خداوند درباره داود گفته است که به وسیله بنده خود، داود، قوم خویش، اسرائیل را از دست فلسطینیان و از دست جمیع دشمنان ایشان نجات خواهم داد.»
19Ook met Benjamin had Abner onderhandeld. Nu ging Abner aan David in Hebron alles mededelen, wat Israël en geheel het volk van Benjamin hadden besloten.
19و ابنیر به گوش بنیامینیان نیزسخن گفت. و ابنیر هم به حبرون رفت تا آنچه راکه در نظر اسرائیل و در نظر تمامی خاندان بنیامین پسند آمده بود، به گوش داود بگوید.
20En toen Abner met een gevolg van twintig man bij David in Hebron gekomen was, en David voor Abner en zijn gevolg een feestmaal had aangericht,
20پس ابنیر بیست نفر با خود برداشته، نزدداود به حبرون آمد و داود به جهت ابنیر ورفقایش ضیافتی برپا کرد.
21zeide Abner tot David: Ik wil heengaan, en heel Israël bij mijn heer en koning brengen, om een verbond met u te sluiten; zo zult gij koning zijn, juist zoals gij het wenst. Daarop liet David Abner ongehinderd vertrekken.
21و ابنیر به داود گفت: «من برخاسته، خواهم رفت و تمامی اسرائیل رانزد آقای خود، پادشاه، جمع خواهم آورد تا با توعهد ببندند و به هرآنچه دلت میخواهد سلطنت نمایی. پس داود ابنیر را مرخص نموده، او به سلامتی برفت.
22Maar zie, daar kwam juist Joab met de manschappen van David van een strooptocht thuis, met een grote buit bij zich. Abner was toen niet meer in Hebron bij David, want deze had hem ongehinderd laten vertrekken.
22و ناگاه بندگان داود و یوآب از غارتی بازآمده، غنیمت بسیار با خود آوردند. و ابنیر با داوددر حبرون نبود زیرا وی را رخصت داده، و او به سلامتی رفته بود.
23Toen dan Joab met zijn gevolg was aangekomen, en men hem vertelde, dat Abner, de zoon van Ner, bij den koning geweest was, en dat deze hem ongehinderd had laten vertrekken,
23و چون یوآب و تمامی لشکری که همراهش بودند، برگشتند، یوآب راخبر داده، گفتند که «ابنیر بن نیر نزد پادشاه آمد واو را رخصت داده و به سلامتی رفت.»
24meldde Joab zich bij den koning en zeide: Wat hebt gij gedaan? Daar is Abner bij u geweest! Waarom toch hebt gij hem laten vertrekken?
24پس یوآب نزد پادشاه آمده، گفت: «چه کردی! اینک ابنیر نزد تو آمد. چرا او را رخصت دادی و رفت؟
25Begrijpt gij dan niet, dat Abner, de zoon van Ner, gekomen is, om u te misleiden, om uw doen en laten te bespieden, en alles te weten te komen wat gij onderneemt?
25ابنیر بن نیر را میدانی که او آمد تا تو را فریب دهد و خروج و دخول تو را بداند و هر کاری را که میکنی دریافت کند.»
26En van David heengegaan, zond Joab boden achter Abner aan, die hem, zonder dat David het wist, terugriepen van de Sira-put.
26و یوآب از حضور داود بیرون رفته، قاصدان در عقب ابنیر فرستاد که او را از چشمه سیره بازآوردند اما داود ندانست.
27Toen Abner naar Hebron terugkeerde, trok Joab hem in de poort terzijde, als wilde hij rustig met hem spreken. Daar stak hij hem in de buik en vermoordde hem, om het bloed van zijn broer Asaël te wreken.
27و چون ابنیربه حبرون برگشت، یوآب او را در میان دروازه به کنار کشید تا با او به خفیه سخن گوید و بهسبب خون برادرش عسائیل به شکم او زد که مرد.
28Toen David het later vernam, zeide hij: Ik en mijn koninkrijk zullen voor Jahweh voor altijd onschuldig zijn aan het bloed van Abner, den zoon van Ner.
28وبعد از آن چون داود این را شنید، گفت: «من وسلطنت من به حضور خداوند از خون ابنیر بن نیرتا به ابد بری هستیم.
29Het moge neerkomen op het hoofd van Joab en van heel zijn familie. Steeds moge er in de familie van Joab iemand zijn, die aan vloeiing of melaatsheid lijdt, die op krukken gaat, door het zwaard komt te vallen of broodsgebrek heeft!
29پس بر سر یوآب و تمامی خاندان پدرش قرار گیرد و کسیکه جریان وبرص داشته باشد و بر عصا تکیه کند و به شمشیربیفتد و محتاج نان باشد، از خاندان یوآب منقطع نشود.»
30Joab en zijn broer Abisjai hebben Abner vermoord, omdat hij bij Gibon Asaël, hun broer, in het gevecht had gedood.
30و یوآب و برادرش ابیشای، ابنیر راکشتند، بهسبب این که برادر ایشان، عسائیل را درجبعون در جنگ کشته بود.
31En David sprak tot Joab en tot heel zijn gevolg: Scheurt uw klederen, slaat een zak om uw middel, en treurt om Abner! Zelf ging koning David achter de baar,
31و داود به یوآب و تمامی قومی که همراهش بودند، گفت: «جامه خود را بدرید وپلاس بپوشید و برای ابنیر نوحه کنید.» و داودپادشاه در عقب جنازه رفت.
32toen men Abner in Hebron begroef. De koning weende aan het graf van Abner met luider stem en alle aanwezigen waren bedroefd.
32و ابنیر را درحبرون دفن کردند و پادشاه آواز خود را بلندکرده، نزد قبر ابنیر گریست و تمامی قوم گریه کردند.
33Toen hief de koning een klaagzang aan op Abner en sprak: Moest Abner als een goddeloze sterven?
33و پادشاه برای ابنیر مرثیه خوانده، گفت: «آیا باید ابنیر بمیرد به طوری که شخص احمق میمیرد.
34Uw handen waren nimmer geboeid, Uw voeten nimmer in ketenen geklonken! Moest gij vallen, zoals booswichten vallen? Daardoor betreurde heel het volk Abner nog meer.
34دستهای تو بسته نشد وپایهایت در زنجیر گذاشته نشد. مثل کسیکه پیش شریران افتاده باشد افتادی.» پس تمامی قوم بار دیگر برای او گریه کردند.
35En toen heel het volk, terwijl het nog dag was, David tot eten wilde bewegen, zwoer David: Zo mag God met mij doen, en nog erger, als ik voor zonsondergang brood of wat dan ook aanraak.
35و تمامی قوم چون هنوز روز بود آمدند تا داود را نان بخوراننداما داود قسم خورده، گفت: «خدا به من مثل این بلکه زیاده از این بکند اگر نان یا چیز دیگر پیش ازغروب آفتاب بچشم.»
36Heel het volk merkte het, en het maakte een goede indruk op hen, zoals trouwens alles wat de koning deed door heel het volk werd toegejuicht.
36و تمامی قوم ملتفت شدند و به نظر ایشان پسند آمد. چنانکه هرچه پادشاه میکرد، در نظر تمامی قوم پسند میآمد.
37Die dag erkende heel het volk en heel Israël, dat het niet van den koning was uitgegaan, om Abner, den zoon van Ner, te vermoorden.
37و جمیع قوم و تمامی اسرائیل در آن روزدانستند که کشتن ابنیر بن نیر از پادشاه نبود.
38Bovendien sprak de koning tot zijn gevolg: Begrijpt gij niet, dat heden een vorst en edelman aan Israël is ontvallen?
38وپادشاه به خادمان خود گفت: «آیا نمی دانید که سروری و مرد بزرگی امروز در اسرائیل افتاد؟
39Nu ben ik nog te zwak, ofschoon ik tot koning gezalfd ben; die lieden, de zonen van Seroeja, zijn mij te sterk. Moge dus Jahweh de boosdoeners naar hun boosheid vergelden.
39و من امروز با آنکه به پادشاهی مسح شدهام ضعیف هستم و این مردان، یعنی پسران صرویه ازمن تواناترند. خداوند عامل شرارت را برحسب شرارتش جزا دهد.»
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.