2 Samuel 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Daarop stelde Achitófel aan Absalom voor: Laat mij met twaalfduizend uitgelezen manschappen vannacht nog de achtervolging van David beginnen.
1І промовив Ахитофел до Абессалома так: Виберу я собі дванайцять тисяч чоловіка та й пійду навздогін за Давидом сієї ночі,
2Door hem te overvallen, als hij nog uitgeput en krachteloos is, jaag ik hem schrik op het lijf; heel zijn aanhang zal vluchten en ik hoef alleen met den koning af te rekenen.
2Та й нападу на його, покіль він ще втомлений й занепалий духом. От я наведу на його страх; увесь люд, що він при собі має, пійде в ростїч, і я вбю самого одного царя;
3Dan zal ik maken, dat al het volk zich tot u keert, zoals een bruid terugkeert tot haar man; zo kost het alleen het leven van den enen man dien ge zoekt, en blijft al het volk behouden!
3І приведу до тебе ввесь люд, як одного чоловіка, й коли не стане того одного, що ти його шукаєш, тодї буде мирен увесь люд.
4Ofschoon dit voorstel de goedkeuring wegdroeg van Absalom en van alle oudsten in Israël,
4Рада ся була до вподоби Абессаломові й усїй старшинї Ізрайлевій.
5zeide Absalom toch: Roep ook Choesjai, den Arkiet, en laat ons eens horen, wat ook hij heeft te zeggen.
5Однакже повелїв Абессалом: Покличте ще й Архійця Хусія, почуємо, що він скаже.
6Choesjai werd dus bij Absalom toegelaten, en Absalom zeide tot hem: Zo en zo is het voorstel van Achitófel. Moeten we zijn plan uitvoeren? Zo niet, doe gij dan een voorstel.
6Як же ввійшов Хусій до Абессалома, каже йому Абессалом: Так і так радить Ахитофел. Чи маю чинити по його слову? Коли нї, говори ти.
7Nu sprak Choesjai tot Absalom: Ditmaal is het geen goede raad, die Achitófel gegeven heeft.
7І відказав Хусій Абессаломові: На сей раз Ахитофелева рада не найлучша.
8En Choesjai vervolgde: Gij weet, dat uw vader en zijn manschappen dappere mannen zijn, en thans verbeten als een loslopende berin, die haar jongen kwijt is. Bovendien is uw vader een ervaren krijger, die met het volk niet in de open lucht overnacht.
8І каже Хусій: Ти знаєш панотця твого й людей його, що вони хоробрі та ще й роздражнені, мов ведмедиця в полі, що в неї однято ведмежата. До того ж панотець твій войовник, що не ночлїгує з людьми.
9Hij heeft zich nu beslist in een of andere grot of plaats verdekt opgesteld. Er kunnen dus aanstonds enige slachtoffers vallen; en dan zal men het vernemen en zeggen, dat de aanhang van Absalom een grote nederlaag heeft geleden.
9Певно тепер він у якій розчілинї, або де инде заховавсь. Як поляже кілька з людей при першому нападові на них, і почують се другі, так торочити муть: між людьми, прихильними до Абессалома, сталось побоїще.
10En al is men dan nog zo dapper, en heeft men het hart van een leeuw, dan zal men toch zeker de moed verliezen. Want heel Israël weet, dat uw vader een held is, en zijn medestrijders dappere mannen.
10І тодї станеться, що й хоробрий, що серце в його левине, злякається їх, бо ввесь Ізраїль знає, що панотець твій невмірака, а його дружина також мужі хоробрі.
11Neen, mijn raad is deze: Laat heel Israël van Dan tot Beër-Sjéba zich rond u verzamelen, zo talrijk als het zand aan de zee, en trek in eigen persoon met hen op.
11Оце ж раджу: Нехай скупиться ввесь Ізраїль від Дана та й до Берсабиї круг тебе, щоб його було стілько, як піску на морському березї, й сам ти вирушиш посеред їх;
12Dan overvallen we hem op de plaats, waar we hem treffen, strijken we op hem neer als de dauw op de grond, en laten van hem en zijn manschappen geen enkele over.
12Як ударимо на його, в якому б нї було місцї, де стрінемо його, й впадемо на його, як падає роса на землю, тодї не зостанеться нї один із мужів, що круг його.
13En trekt hij zich terug in een stad, welnu, dan zal heel Israël touwen binden aan die stad, en slepen we haar naar de stroom, totdat er geen steen meer van over is.
13Коли ж би схоронився в який город, то ввесь Ізраїль обтягне город верівками, й ми стягнемо його в прірву, так що й камень на каменї не зістанеться.
14Toen zeiden Absalom en alle Israëlieten: De raad van Choesjai, den Arkiet, is beter dan die van Achitófel. Want Jahweh had het beschikt, dat de goede raad van Achitófel verijdeld werd. Hij wilde Absalom in het ongeluk storten.
14І промовив Абессалом і всї Ізрайлитяне: Рада Архійця Хусія крашча над Ахитофелеву раду. Так то Господь вдїяв, що впала лучша рада Ахитофелева, щоб навести біду на Абессалома.
15Nu liet Choesjai aan de priesters Sadok en Ebjatar zeggen: Die en die raad heeft Achitófel aan Absalom en de oudsten van Israël gegeven, en zo en zo heb ik geraden.
15І сповістив Хусій сьвященників Садока та Абіятара: Так і так раяв Ахитофел Абессаломові, а так і так пораяв я.
16Laat nu zo vlug mogelijk aan David berichten, dat hij de nacht niet moet doorbrengen bij de overgangen naar de woestijn, maar dat hij er dadelijk over moet trekken; anders wordt de koning met heel zijn aanhang vernietigd.
16Оце ж посилаи хутко таку вістку Давидові: Не ночлїгуй над бродами в степу, а переходь зараз, щоб цареві й усьому людові, що при йому, не погибнути.
17Intussen stonden Jehonatan en Achimáas bij de bron Rogel te wachten. Een dienstmaagd bracht hun de boodschap over, die ze aan koning David moesten brengen; want daar ze zich niet mochten vertonen, konden ze de stad niet binnengaan.
17Йонатан же та Ахимаас стояли над Рогель-криницею. І прибігла служебка та й принесла їм вість; а вони кинулись сповістити царя Давида, бо їм не можна було появитись у городї.
18Toch had een jongen hen opgemerkt, en het aan Absalom bericht. Ze maakten beiden dus gauw, dat ze wegkwamen. Ze vluchtten in het huis van iemand in Bachoerim, die in zijn hof een put had; daar kropen ze in.
18Побачив їх однакже якийсь хлопець та й сповістив Абессалома, але вони побігли хутко далїй, та й прибігли в господу одного чоловіка в Бахуримі: а в його був у дворі колодязь; вони й повлазили туди,
19En de vrouw nam een dekkleed, spreidde het uit over de put, en strooide er graankorrels op, zodat er niets van te merken viel.
19А молодиця возьми та й накинь плахту на колодязь, та й насипала крупів на покривало, щоб не було нїчогісїнько в догад.
20Toen dan ook de dienaren van Absalom bij de vrouw binnen kwamen, en vroegen, waar Achimáas en Jehonatan waren, zeide de vrouw: Die zijn de bergstroom overgestoken! Ze gingen op zoek; maar toen ze niets vonden, keerden ze naar Jerusalem terug.
20Як же прийшли від Абессалома до молодиці люде та поспитали: Де Ахимаас і Йонатан? каже молодиця: Вони перебріли ріку. Вони шукали, та не знайшли, й вернулись у Ерусалим.
21Nadat zij waren afgetrokken, klommen ze uit de put, en gingen koning David de boodschap overbrengen. Ze zeiden tot David: Rukt op en trekt vlug het water over; want die en die raad heeft Achitófel omtrent u gegeven.
21Як же вони одійшли геть, повилазили ті з колодязя, махнули далїй та й принесли цареві Давидові звістку, й сказали Давидові: Переброджуйте борше воду, бо так і так порадив про вас Ахитофел.
22David rukte dus op met heel zijn aanhang; zij staken de Jordaan over, en bij het aanbreken van de morgen waren allen aan de overkant, tot den laatsten man.
22Метнувсь тодї Давид і ввесь люд, що був при йому, та й перейшли Йордань. Поки ранок настав, не було нїкого, щоб не перебрів Йорданї.
23Toen Achitófel bemerkte, dat zijn raad niet werd opgevolgd, zadelde hij zijn ezel en begaf zich op weg naar huis in zijn woonplaats. Daar stelde hij orde op zijn zaken en hing zich op. Zo stierf Achitófel; hij werd begraven in het graf van zijn vader.
23Побачивши ж Ахитофел, що порада його не пійшла в лад, осїдлав осла та й пустивсь у дорогу до дому у свій отецький город, а розпорядивши господою своєю, завісивсь, і вмер, та й поховано його в батьковому гробі.
24Zo was David reeds te Machanáim aangekomen, toen Absalom de Jordaan overstak, met alle Israëlieten, die hem volgden.
24От і дійшов Давид уже до Маханаїму, як Абессалом з усїма Ізрайлитянами перейшов Йордань.
25In plaats van Joab had Absalom Amasa over het leger aangesteld. Deze Amasa was de zoon van een Isjmaëliet, die Jitra heette, en zich verenigd had met Abigal, de dochter van Nachasj, de zuster van Seroeja, de moeder van Joab.
25Намість Йоаба настановив Абессалом Амессая головою в війську. Амессай був сином одного чоловіка, що звавсь Ефера з Езрееля, що ввійшов був до Абигеї, дочки Нааса, а сестри Саруїної, матері Йоабової.
26En de Israëlieten, die Absalom volgden, sloegen hun kamp op in het land Gilad.
26І отаборивсь Ізраїль із Абессаломом у землї Галаадській.
27Toen David te Machanáim was aangekomen, brachten Sjobi, een zoon van Nachasj uit Rabba der Ammonieten, en Makir, een zoon van Ammiël uit Lo-Debar, en Barzillai, de Giladiet uit Rogelim,
27Як прийшов же Давид у Маханаїм, то Сабій, син Наасів із Раби Аммонїйської, й Махир, син Амміїлів із Лодабару, та Берзеллїй Галаадїй з Роглиму,
28rustbedden en dekens, schalen en aardewerk, tarwe en gerst, bloem en geroosterd graan, bonen en linzen,
28Принесли постелї, тарілки, горшки, глиняний посуд, ячменю, пшеницї, муки, пшона, бобу, сочовицї, й жарених зерен,
29honing en boter, en kaas van schapen en koeien. Ze boden het aan als proviand voor David en zijn aanhangers; want ze zeiden: Het volk zal in de woestijn hongerig, uitgeput en dorstig geworden zijn.
29Меду, масла, овець, і коровячого сира Давидові й людям, що були з ним, на їду, бо казали: Люд голоден, утомлений, й натерпівсь спраги в пустинї.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.