1 Kronieken 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Ook de zonen van Aäron werden in groepen ingedeeld. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
1Synů pak Aronových tato jsou zpořádaní: Synové Aronovi: Nádab, Abiu, Eleazar a Itamar.
2Nadab en Abihoe stierven eerder dan hun vader, en lieten geen kinderen na, zodat alleen Elazar en Itamar als priesters dienst deden.
2Ale že umřel Nádab a Abiu před otcem svým, a neměli synů, protož konali úřad kněžský Eleazar a Itamar.
3Ze werden volgens hun ambtsbezigheden in groepen ingedeeld door David, en door Sadok, die van Elazar stamde, en door Achimélek, die van Itamar stamde.
3Kteréž zpořádal David, totiž Sádocha z synů Eleazarových, a Achimelecha z synů Itamarových, vedlé počtu a řádu jejich v přisluhováních jejich.
4Het bleek, dat het aantal familiehoofden, die van Elazar afstamden, groter was dan dat van de afstammelingen van Itamar. Daarom werden ze in deze verhouding ingedeeld, dat er op zestien familiehoofden, die van Elazar afstamden, acht van Itamar stonden.
4Nalezeno pak synů Eleazarových více předních mužů, než synů Itamarových, a rozdělili je. Z synů Eleazarových bylo předních po domích otcovských šestnáct, a z synů Itamarových po čeledech otcovských osm.
5De indeling zelf geschiedde door het lot, beurt om beurt; want er waren zowel onder de afstammelingen van Elazar als onder die van Itamar heilige en door God begenadigde bestuurders.
5I rozděleni jsou losem jedni od druhých, ačkoli byli knížata nad věcmi svatými, a knížata Boží z synů Eleazarových a z synů Itamarových.
6De geheimschrijver Sjemaja, de zoon van Netanel en eveneens een leviet, schreef ze op, in tegenwoordigheid van den koning, van de bestuurders, den priester Sadok, Achimélek den zoon van Ebjatar, en de familiehoofden der priesters en levieten. Telkens werd er om beurten één familie van Itamar en twee van Elazar door het lot aangewezen.
6I popsal je Semaiáš syn Natanaelův, písař z pokolení Léví před králem a knížaty, a Sádochem knězem a Achimelechem synem Abiatarovým i knížaty čeledí otcovských mezi kněžími a Levíty, tak že dům otcovský jeden zaznamenán Eleazarovi, tolikéž druhý zaznamenán Itamarovi.
7Het eerste lot viel op Jehojarib, het tweede op Jedaja,
7Padl pak los první na Jehoiariba, na Jedaiáše druhý,
8het derde op Charim, het vierde op Seorim,
8Na Charima třetí, na Seorima čtvrtý,
9het vijfde op Malki-ja, het zesde op Mi-jamin,
9Na Malkiáše pátý, na Miamin šestý,
10het zevende op Hakkos, het achtste op Abi-ja,
10Na Hakkoza sedmý, na Abiáše osmý,
11het negende op Jesjóea, het tiende op Sjekanjáhoe,
11Na Jesua devátý, na Sechaniáše desátý,
12het elfde op Eljasjib, het twaalfde op Jakim,
12Na Eliasiba jedenáctý, na Jakima dvanáctý,
13het dertiende op Choeppa, het veertiende op Jesjebab,
13Na Chuppa třináctý, na Jesebaba čtrnáctý,
14het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer,
14Na Bilgu patnáctý, na Immera šestnáctý,
15het zeventiende op Chezir, het achttiende op Happisses,
15Na Chezira sedmnáctý, na Happizeza osmnáctý,
16het negentiende op Petachja, het twintigste op Jecheskel,
16Na Petachiáše devatenáctý, na Ezechiele dvadcátý,
17het een en twintigste op Jakin, het twee en twintigste op Gamoel,
17Na Jachina jedenmecítmý, na Gamule dvamecítmý,
18het drie en twintigste op Delajáhoe, het vier en twintigste op Maäzjáhoe.
18Na Delaiáše třímecítmý, na Maaseiáše čtyřmecítmý.
19Dit was de indeling volgens hun ambtsbezigheden, die hierin bestonden, dat zij het heiligdom van Jahweh zouden betreden naar de verordeningen, die hun stamvader Aäron op bevel van Jahweh, den God van Israël, had uitgevaardigd.
19Ti jsou, jenž zřízeni byli v přisluhováních svých, aby vcházeli do domu Hospodinova podlé řádu svého, pod spravou Arona otce jejich, jakož mu byl přikázal Hospodin Bůh Izraelský.
20Wat de overige levieten betreft: De zonen van Amram waren Sjoebaël en Rechabjáhoe; die van Sjoebaël was Jechdejáhoe;
20Z synů Léví ostatních, z synů Amramových Subael, z synů Subael Jechdeiáš.
21die van Rechabjáhoe was het opperhoofd Jissji-ja.
21Z Rechabiáše, z synů Rechabiášových kníže Iziáš.
22De zoon van Jishar was Sjelomot, die van Sjelomot was Jáchat.
22Z Izara Selomot, z synů Selomotových Jachat.
23De zonen van Chebron waren Jeri-jáhoe het opperhoofd; Amarjáhoe, de tweede; Jachaziël, de derde; en Jekamam, de vierde.
23Synové pak Jeriášovi: Amariáš druhý, Jachaziel třetí, Jekamam čtvrtý.
24De zoon van Oezziël was Mika; de zoon van Mika was Sjamir;
24Syn Uzielův Mícha, z synů Míchy Samir.
25de broer van Sjamir was Jissji-ja. De zoon van Jissji-ja was Zekarjáhoe.
25Bratr Míchův Iziáš, a syn Iziášův Zachariáš.
26De zonen van Merari waren Machli en Moesji.
26Synové Merari: Moholi a Musi, synové Jaaziášovi: Beno.
27De zonen van Merari, langs zijn zoon Jaäzi-jáhoe, waren Sjoham, Zakkoer en Ibri.
27Synové Merari z Jaaziáše: Beno, Soham, Zakur a Ibri.
28De zoon van Machli was Elazar; deze had geen kinderen.
28Z Moholi Eleazar, kterýž neměl synů.
29Van Kisj: de zoon van Kisj was Jerachmeël.
29Z Cisa synové Cisovi: Jerachmeel.
30De zonen van Moesji waren Machli, Éder en Jerimot. Dit waren de verschillende families der levieten.
30Synové pak Musi: Moholi, Eder a Jerimot. Ti jsou synové Levítů po domích otců svých.
31Zij wierpen evengoed het lot als hun broeders, de zonen van Aäron, en wel in tegenwoordigheid van den koning, van Sadok en Achimélek en van de familiehoofden der priesters en levieten. En de mindere families deden het evengoed als de voornamere.
31I ti také metali losy naproti bratřím svým, synům Aronovým, před Davidem králem, Sádochem a Achimelechem, i knížaty otcovských čeledí z kněží a Levítů, z čeledí otcovských, každý přednější naproti bratru svému mladšímu.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.