1 Kronieken
Chapter 24
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Ook de zonen van Aäron werden in groepen ingedeeld. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
1Voici les classes des fils d’Aaron. Fils d’Aaron: Nadab, Abihu, Éléazar et Ithamar.
2Nadab en Abihoe stierven eerder dan hun vader, en lieten geen kinderen na, zodat alleen Elazar en Itamar als priesters dienst deden.
2Nadab et Abihu moururent avant leur père, sans avoir de fils; et Éléazar et Ithamar remplirent les fonctions du sacerdoce.
3Ze werden volgens hun ambtsbezigheden in groepen ingedeeld door David, en door Sadok, die van Elazar stamde, en door Achimélek, die van Itamar stamde.
3David divisa les fils d’Aaron en les classant pour le service qu’ils avaient à faire; Tsadok appartenait aux descendants d’Éléazar, et Achimélec aux descendants d’Ithamar.
4Het bleek, dat het aantal familiehoofden, die van Elazar afstamden, groter was dan dat van de afstammelingen van Itamar. Daarom werden ze in deze verhouding ingedeeld, dat er op zestien familiehoofden, die van Elazar afstamden, acht van Itamar stonden.
4Il se trouva parmi les fils d’Éléazar plus de chefs que parmi les fils d’Ithamar, et on en fit la division; les fils d’Éléazar avaient seize chefs de maisons paternelles, et les fils d’Ithamar huit chefs de maisons paternelles.
5De indeling zelf geschiedde door het lot, beurt om beurt; want er waren zowel onder de afstammelingen van Elazar als onder die van Itamar heilige en door God begenadigde bestuurders.
5On les classa par le sort, les uns avec les autres, car les chefs du sanctuaire et les chefs de Dieu étaient des fils d’Éléazar et des fils d’Ithamar.
6De geheimschrijver Sjemaja, de zoon van Netanel en eveneens een leviet, schreef ze op, in tegenwoordigheid van den koning, van de bestuurders, den priester Sadok, Achimélek den zoon van Ebjatar, en de familiehoofden der priesters en levieten. Telkens werd er om beurten één familie van Itamar en twee van Elazar door het lot aangewezen.
6Schemaeja, fils de Nethaneel, le secrétaire, de la tribu de Lévi, les inscrivit devant le roi et les princes, devant Tsadok, le sacrificateur, et Achimélec, fils d’Abiathar, et devant les chefs des maisons paternelles des sacrificateurs et des Lévites. On tira au sort une maison paternelle pour Éléazar, et on en tira une autre pour Ithamar.
7Het eerste lot viel op Jehojarib, het tweede op Jedaja,
7Le premier sort échut à Jehojarib; le second, à Jedaeja;
8het derde op Charim, het vierde op Seorim,
8le troisième, à Harim; le quatrième, à Seorim;
9het vijfde op Malki-ja, het zesde op Mi-jamin,
9le cinquième, à Malkija; le sixième, à Mijamin;
10het zevende op Hakkos, het achtste op Abi-ja,
10le septième, à Hakkots; le huitième, à Abija;
11het negende op Jesjóea, het tiende op Sjekanjáhoe,
11le neuvième, à Josué; le dixième, à Schecania;
12het elfde op Eljasjib, het twaalfde op Jakim,
12le onzième, à Éliaschib; le douzième, à Jakim;
13het dertiende op Choeppa, het veertiende op Jesjebab,
13le treizième, à Huppa; le quatorzième, à Jeschébeab;
14het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer,
14le quinzième, à Bilga; le seizième, à Immer;
15het zeventiende op Chezir, het achttiende op Happisses,
15le dix-septième, à Hézir; le dix-huitième, à Happitsets;
16het negentiende op Petachja, het twintigste op Jecheskel,
16le dix-neuvième, à Pethachja; le vingtième, à Ézéchiel;
17het een en twintigste op Jakin, het twee en twintigste op Gamoel,
17le vingt et unième, à Jakin; le vingt-deuxième, à Gamul;
18het drie en twintigste op Delajáhoe, het vier en twintigste op Maäzjáhoe.
18le vingt-troisième, à Delaja; le vingt-quatrième, à Maazia.
19Dit was de indeling volgens hun ambtsbezigheden, die hierin bestonden, dat zij het heiligdom van Jahweh zouden betreden naar de verordeningen, die hun stamvader Aäron op bevel van Jahweh, den God van Israël, had uitgevaardigd.
19C’est ainsi qu’ils furent classés pour leur service, afin qu’ils entrassent dans la maison de l’Éternel en se conformant à la règle établie par Aaron, leur père, d’après les ordres que lui avait donnés l’Éternel, le Dieu d’Israël.
20Wat de overige levieten betreft: De zonen van Amram waren Sjoebaël en Rechabjáhoe; die van Sjoebaël was Jechdejáhoe;
20Voici les chefs du reste des Lévites. Des fils d’Amram: Schubaël; des fils de Schubaël: Jechdia;
21die van Rechabjáhoe was het opperhoofd Jissji-ja.
21de Rechabia, des fils de Rechabia: le chef Jischija.
22De zoon van Jishar was Sjelomot, die van Sjelomot was Jáchat.
22Des Jitseharites: Schelomoth; des fils de Schelomoth: Jachath.
23De zonen van Chebron waren Jeri-jáhoe het opperhoofd; Amarjáhoe, de tweede; Jachaziël, de derde; en Jekamam, de vierde.
23Fils d’Hébron: Jerija, Amaria le second, Jachaziel le troisième, Jekameam le quatrième.
24De zoon van Oezziël was Mika; de zoon van Mika was Sjamir;
24Fils d’Uziel: Michée; des fils de Michée: Schamir;
25de broer van Sjamir was Jissji-ja. De zoon van Jissji-ja was Zekarjáhoe.
25frère de Michée: Jischija; des fils de Jischija: Zacharie.
26De zonen van Merari waren Machli en Moesji.
26Fils de Merari: Machli et Muschi, et les fils de Jaazija, son fils.
27De zonen van Merari, langs zijn zoon Jaäzi-jáhoe, waren Sjoham, Zakkoer en Ibri.
27Fils de Merari, de Jaazija, son fils: Schoham, Zaccur et Ibri.
28De zoon van Machli was Elazar; deze had geen kinderen.
28De Machli: Éléazar, qui n’eut point de fils;
29Van Kisj: de zoon van Kisj was Jerachmeël.
29de Kis, les fils de Kis: Jerachmeel.
30De zonen van Moesji waren Machli, Éder en Jerimot. Dit waren de verschillende families der levieten.
30Fils de Muschi: Machli, Éder et Jerimoth. Ce sont là les fils de Lévi, selon leurs maisons paternelles.
31Zij wierpen evengoed het lot als hun broeders, de zonen van Aäron, en wel in tegenwoordigheid van den koning, van Sadok en Achimélek en van de familiehoofden der priesters en levieten. En de mindere families deden het evengoed als de voornamere.
31Eux aussi, comme leurs frères, les fils d’Aaron, ils tirèrent au sort devant le roi David, Tsadok et Achimélec, et les chefs des maisons paternelles des sacrificateurs et des Lévites. Il en fut ainsi pour chaque chef de maison comme pour le moindre de ses frères.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.