1 Kronieken
Chapter 24
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Ook de zonen van Aäron werden in groepen ingedeeld. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
1OR quant'è a' figliuoli d'Aaronne, i loro spartimenti furono questi : I figliuoli d'Aaronne furono Nadab, ed Abihu, Eleazaro, ed Itamar.
2Nadab en Abihoe stierven eerder dan hun vader, en lieten geen kinderen na, zodat alleen Elazar en Itamar als priesters dienst deden.
2Ed essendo Nadab ed Abihu morti senza figliuoli davanti al padre loro, Eleazaro ed Itamar esercitaroro il sacerdozio.
3Ze werden volgens hun ambtsbezigheden in groepen ingedeeld door David, en door Sadok, die van Elazar stamde, en door Achimélek, die van Itamar stamde.
3Or Davide li distribuì secondo gli ordini loro nel lor ministerio, essendo Sadoc de' figliuoli di Eleazaro, ed Ahimelec de' figliuoli d'Itamar.
4Het bleek, dat het aantal familiehoofden, die van Elazar afstamden, groter was dan dat van de afstammelingen van Itamar. Daarom werden ze in deze verhouding ingedeeld, dat er op zestien familiehoofden, die van Elazar afstamden, acht van Itamar stonden.
4Ed i figliuoli di Eleazaro si trovarono in più gran numero di capi d'uomini, che i figliuoli di Itamar, quando gli spartimenti furono fatti. De' figliuoli di Eleazaro vi erano sedici capi di famiglie paterne, e de' figliuoli d'Itamar otto.
5De indeling zelf geschiedde door het lot, beurt om beurt; want er waren zowel onder de afstammelingen van Elazar als onder die van Itamar heilige en door God begenadigde bestuurders.
5E gli spartimenti furono fatti a sorte, gli uni per mezzo gli altri; perciocchè anche i capi del santuario, e della Casa di Dio, erano de' figliuoli di Eleazaro, e de' figliuoli d'Itamar.
6De geheimschrijver Sjemaja, de zoon van Netanel en eveneens een leviet, schreef ze op, in tegenwoordigheid van den koning, van de bestuurders, den priester Sadok, Achimélek den zoon van Ebjatar, en de familiehoofden der priesters en levieten. Telkens werd er om beurten één familie van Itamar en twee van Elazar door het lot aangewezen.
6E Semaia, figliuolo di Natanael, Scriba, della tribù di Levi, li descrisse davanti al re, e davanti a' capi del popolo , ed al sacerdote Sadoc, e ad Ahimelec, figliuolo di Ebiatar, ed a' capi delle famiglie paterne de' sacerdoti, e de' Leviti; una casa paterna si prendeva de' discendenti di Eleazaro, ed un' altra congiuntamente di que 'd'Itamar.
7Het eerste lot viel op Jehojarib, het tweede op Jedaja,
7La prima sorte adunque scadde a Ioiarib, la seconda a Iedaia,
8het derde op Charim, het vierde op Seorim,
8la terza ad Harim, la quarta a Seorim,
9het vijfde op Malki-ja, het zesde op Mi-jamin,
9la quinta a Malchia,
10het zevende op Hakkos, het achtste op Abi-ja,
10la sesta a Miamin, la settima a Cos, l'ottava ad Abia,
11het negende op Jesjóea, het tiende op Sjekanjáhoe,
11la nona a Iesua, la decima a Secania,
12het elfde op Eljasjib, het twaalfde op Jakim,
12l'undecima ad Eliasib, la duodecima a Iachim,
13het dertiende op Choeppa, het veertiende op Jesjebab,
13la tredicesima ad Huppa, la quartadecima a Iesebeab,
14het vijftiende op Bilga, het zestiende op Immer,
14la quintadecima a Bilga, la sestadecima ad Immer,
15het zeventiende op Chezir, het achttiende op Happisses,
15la diciassettesima ad Hezir, la diciottesima a Pisses,
16het negentiende op Petachja, het twintigste op Jecheskel,
16la diciannovesima a Petahia, la ventesima ad Ezechiele,
17het een en twintigste op Jakin, het twee en twintigste op Gamoel,
17la ventunesima a Iachin, la ventiduesima a Gamul,
18het drie en twintigste op Delajáhoe, het vier en twintigste op Maäzjáhoe.
18la ventesimaterza a Delaia, la ventiquattresima a Maazia.
19Dit was de indeling volgens hun ambtsbezigheden, die hierin bestonden, dat zij het heiligdom van Jahweh zouden betreden naar de verordeningen, die hun stamvader Aäron op bevel van Jahweh, den God van Israël, had uitgevaardigd.
19Questi furono i loro ordini nel lor ministerio, secondo i quali aveano da venir nella Casa del Signore, secondo che era loro ordinato, sotto la condotta di Aaronne, lor padre; come il Signore Iddio d'Israele gli avea comandato.
20Wat de overige levieten betreft: De zonen van Amram waren Sjoebaël en Rechabjáhoe; die van Sjoebaël was Jechdejáhoe;
20E QUANT'è al rimanente de' figliuoli di Levi, de' figliuoli di Amram, vi fu Subael; e de' figliuoli di Subael, Iedeia.
21die van Rechabjáhoe was het opperhoofd Jissji-ja.
21Quant'è a' figliuoli di Rehabia, Isia fu il capo.
22De zoon van Jishar was Sjelomot, die van Sjelomot was Jáchat.
22Degl'Ishariti, Selomot; de' figliuoli di Selomot, Iahat.
23De zonen van Chebron waren Jeri-jáhoe het opperhoofd; Amarjáhoe, de tweede; Jachaziël, de derde; en Jekamam, de vierde.
23De' figliuoli di Hebron, Ieria era il primo , Amaria il secondo, Iahaziel il terzo, Iecamam il quarto.
24De zoon van Oezziël was Mika; de zoon van Mika was Sjamir;
24De' figliuoli di Uzziel fu capo Mica; de' figliuoli di Mica, Samir.
25de broer van Sjamir was Jissji-ja. De zoon van Jissji-ja was Zekarjáhoe.
25Il fratello di Mica fu Isia; de' figliuoli d'Isia, Zaccaria fu il capo .
26De zonen van Merari waren Machli en Moesji.
26I figliuoli di Merari furono Mehali, e Musi; e de' figliuoli di Iaazia, Beno fu il capo .
27De zonen van Merari, langs zijn zoon Jaäzi-jáhoe, waren Sjoham, Zakkoer en Ibri.
27I figliuoli di Merari, per Iaazia, furono Beno, e Soham, e Zaccur, ed Ibri.
28De zoon van Machli was Elazar; deze had geen kinderen.
28Di Mahali il capo fu Eleazaro, il quale non ebbe figliuoli.
29Van Kisj: de zoon van Kisj was Jerachmeël.
29Quant'è a Chis, il capo de 'suoi figliuoli fu Ierameel.
30De zonen van Moesji waren Machli, Éder en Jerimot. Dit waren de verschillende families der levieten.
30E de' figliuoli di Musi furono i capi Mahali, ed Eder, e Ierimot. Questi furono i figliuoli de' Leviti, secondo le lor case paterne.
31Zij wierpen evengoed het lot als hun broeders, de zonen van Aäron, en wel in tegenwoordigheid van den koning, van Sadok en Achimélek en van de familiehoofden der priesters en levieten. En de mindere families deden het evengoed als de voornamere.
31E tirarono anch'essi le sorti, al pari de' figliuoli d'Aaronne, lor fratelli, in presenza del re Davide, e di Sadoc, e d'Ahimelec, e de' capi delle famiglie paterne de' sacerdoti, e de' Leviti; le principali delle case paterne essendo pareggiate ad altre più piccole de' lor fratelli.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.