1 Kronieken 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Toen David oud was geworden en hoogbejaard, verhief hij zijn zoon Salomon tot koning van Israël,
1DAVIDE adunque, essendo vecchio, e sazio di giorni, costituì Salomone, suo figliuolo, re sopra Israele.
2en riep alle bestuurders van Israël met de priesters en levieten bijeen.
2E adunò tutti i capi d'Israele, e i sacerdoti, e i Leviti.
3En toen de levieten boven de dertig jaar waren geteld, bleek het aantal mannelijke personen acht en dertigduizend te bedragen.
3E i Leviti furono annoverati dall'età di trent'anni in su. E il numero di essi, annoverati gli uomini a testa a testa, fu di trentottomila.
4En David beval, dat vier en twintigduizend van hen zouden worden belast met de dienst in het heiligdom van Jahweh, dat zesduizend zouden worden aangesteld als beambten en rechters,
4D'infra essi ventiquattromila doveano vacare all'opera della Casa del Signore; e seimila doveano esser giudici ed ufficiali;
5en dat vierduizend Jahweh zouden loven op de instrumenten, die hij daartoe had laten vervaardigen.
5e quattromila, portinai; ed altri quattromila doveano lodare il Signore con gli strumenti che io ho fatti, disse Davide , per lodar lo .
6Bovendien deelde David hen in groepen in, naar gelang ze afstamden van Gersjon, Kehat en Merari, de zonen van Levi.
6E Davide li distribuì in ispartimenti, secondo i figliuoli di Levi: Gherson, Chehat, e Merari.
7De zonen van Gersjon waren Ladan en Sjimi.
7De' Ghersoniti furono Ladan e Simi.
8De zonen van Ladan waren Jechiël, het opperhoofd, met Zetam en Joël, in het geheel drie;
8I figliuoli di Ladan furono tre: Iehiel il primo, poi Zetam, poi Ioel.
9die van Sjimi waren Sjelomit, Chaziël en Haran, in het geheel drie. Dit waren de familiehoofden van het geslacht Ladan.
9I figliuoli di Simi furono tre: Selomit, ed Haziel, ed Haran. Questi furono i capi delle famiglie paterne de' Ladaniti.
10De zonen van Sjimi waren Jáchat, Zina, Jeöesj en Beria; dit waren de zonen van Sjimi, in het geheel vier.
10E i figliuoli di Simi furono Iahat, e Zina, e Ieus, e Beria. Questi furono i figliuoli di Simi, in numero di quattro.
11Jáchat was het opperhoofd, en Zina de tweede; Jeöesj en Beria werden in hun familie als een ambtsgroep gerekend, omdat ze weinig kinderen hadden.
11E Iahat era il primo, e Zina il secondo; ma Ieus, e Beria, perchè non moltiplicarono in figliuoli, furono messi in una medesima descrizione, come una medesima casa paterna.
12De zonen van Kehat waren Amram, Jishar, Chebron en Oezziël, in het geheel vier.
12I figliuoli di Chehat furono quattro: Amram, Ishar, Hebron, ed Uzziel.
13De zonen van Amram waren Aäron en Moses. Aäron zelf en zijn afstammelingen waren voor immer afgezonderd en voor de hoogheilige bediening gewijd, om voor altijd offers op te dragen aan Jahweh, Hem te dienen en in zijn Naam te zegenen.
13I figliuoli di Amram furono Aaronne e Mosè. Ed Aaronne fu messo da parte, insieme co' suoi figliuoli, in perpetuo, per santificar le cose santissime, per far profumi davanti al Signore, per ministrargli, e per benedire al nome di esso, in perpetuo.
14Moses was de man Gods, maar de zonen van Moses werden weer tot de stam der levieten gerekend.
14E quant'è a Mosè, uomo di Dio, i suoi figliuoli furono nominati della tribù di Levi.
15Het waren Gersjom en Eliézer.
15I figliuoli di Mosè furono Ghersom ed Eliezer.
16De zoon van Gersjom was Sjeboeël, een opperhoofd;
16De 'figliuoli di Ghersom, Sebuel fu il capo.
17die van Eliézer was Rechabja, eveneens een opperhoofd. Eliézer zelf had geen andere kinderen, maar Rechabja had er zeer veel.
17E de 'figliuoli di Eliezer, Rehabia fu il capo; ed Eliezer non ebbe altri figliuoli; ma i figliuoli di Rehabia moltiplicarono sommamente.
18De zoon van Jishar was Sjelomit, een opperhoofd.
18De 'figliuoli d'Ishar, Selomit fu il capo.
19De zonen van Chebron waren Jeri-jáhoe, het opperhoofd, Amarja, de tweede, Jachaziël de derde, Jekamam de vierde.
19I figliuoli di Hebron furono Ieria il primo, Amaria il secondo, Iahaziel il terzo, e Iecamam il quarto.
20De zonen van Oezziël waren Mika, het opperhoofd, en Jissji-ja, de tweede.
20I figliuoli di Uzziel furono Mica il primo, ed Isia il secondo.
21De zonen van Merari waren Machli en Moesji. De zonen van Machli waren Elazar en Kisj.
21I figliuoli di Merari furono Mahali, e Musi. I figliuoli di Mahali furono Eleazaro, e Chis.
22Elazar stierf zonder zonen na te laten; hij had alleen maar dochters, die door hun neven, de zonen van Kisj, werden gehuwd.
22Ed Eleazaro morì, e non ebbe figliuoli, ma sol figliuole; ed i figliuoli di Chis, lor fratelli, le presero per mogli .
23De zonen van Moesji waren Machli, Éder en Jeremot, in het geheel drie.
23I figliuoli di Musi furono tre, Mahali, ed Eder, e Ieremot.
24Dit waren dus de familiehoofden boven de dertig jaar van de gemonsterde levietische families, die met name en persoonlijk waren aangewezen, om de dienst te verrichten in de tempel van Jahweh.
24Questi furono i figliuoli di Levi, secondo le lor famiglie paterne, capi di esse nelle lor descrizioni; essendo annoverati per nome, a testa a testa, quelli che facevano l'opera del servigio della Casa del Signore, dall'età di vent'anni in su.
25David bepaalde: Nu Jahweh, de God van Israël, zijn volk rust heeft geschonken, en voor altijd in Jerusalem woont,
25(Perciocchè Davide disse: Il Signore Iddio d'Israele ha dato riposo al suo popolo, ed ha presa la sua abitazione in Gerusalemme in perpetuo;
26behoeven de levieten niet meer de tabernakel te dragen met heel zijn toebehoren voor de eredienst.
26ed anche i Leviti non avranno più da portare il Tabernacolo, e tutti i suoi arredi per lo suo servigio.)
27Later werd volgens de laatste aanwijzingen van David het aantal levieten berekend van twintig jaar af en ouder.
27Conciossiachè negli ultimi registri di Davide, le descrizioni de' figliuoli di Levi fossero fatte dall'età di vent'anni in su;
28Nu konden zij de zonen van Aäron behulpzaam zijn bij de dienst in het huis van Jahweh, door het toezicht op de voorhoven en zalen, het rein houden van alle gewijde voorwerpen, en het verrichten van de andere werkzaamheden die in het huis Gods te doen vielen.
28perciocchè il loro ufficio era di stare appresso dei discendenti d'Aaronne, per lo servigio della Casa del Signore, ne' cortili, e nelle camere; e nel tener nette tutte le cose sacre, e per ogni altra opera del servigio della Casa di Dio;
29Bovendien moesten ze zorgen voor de toonbroden, de meelbloem voor het spijsoffer, en de ongezuurde vladen, voor het bakwerk en de mengsels, en voor alle inhouds- en lengtematen.
29e per li pani, che doveano esser posti per ordine, e per lo fior della farina per le offerte, e per le schiacciate azzime, e per le cose che doveano cuocersi nella padella, ed in su la tegghia; e per ogni sorte di misure;
30Verder moesten ze elke morgen, en ‘s avonds eveneens, gereed staan, om Jahweh lof en dank te zingen.
30e per presentarsi ogni mattina, per celebrare, e lodare il Signore; e così ogni sera;
31Daarenboven moesten ze zorgen voor al wat er nodig was voor de brandoffers, die aan Jahweh werden opgedragen op sabbatten, nieuwe manen en hoogtijden, opdat er voortdurend zoveel aan Jahweh werden opgedragen, als voorgeschreven was.
31ed ogni volta che si aveano da offerire olocausti al Signore, ne' sabati, nelle calendi, nelle feste solenni; in certo numero, secondo ch'era ordinato del continuo, davanti al Signore;
32Zo moesten ze de dienst waarnemen bij de openbaringstent en bij het Heilige, en hun broeders, de zonen van Aäron, behulpzaam zijn bij de dienst in het huis van Jahweh.
32e per osservar ciò che si dovea fare nel Tabernacolo della convenenza, e nel santuario, e per lo servigio de' figliuoli di Aaronne, lor fratelli, per lo ministerio della Casa del Signore.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.