1 Kronieken 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Daarna versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp ze, en ontnam hun Gat met onderhorige steden.
1ORA, dopo queste cose, Davide percosse i Filistei, e li abbassò; e prese a' Filistei Gat, e le terre del suo territorio.
2Ook de Moabieten versloeg hij; sindsdien waren de Moabieten aan David schatplichtig.
2Egli percosse ancora i Moabiti; onde i Moabiti furono soggetti di Davide, pagando tributo.
3Vervolgens versloeg hij Hadadézer, den koning van Soba, te Chamat, juist toen deze op weg was, zijn zegeteken aan de rivier de Eufraat op te richten.
3Davide, oltre a ciò, percosse Hadarezer, re di Soba, verso Hamat, mentre egli andava per istabilire il suo dominio sul fiume Eufrate.
4David ontnam hem duizend strijdwagens, zevenduizend van zijn ruiters en tienduizend man van zijn voetvolk, en van alle paarden, op honderd na, sneed hij de pezen door.
4E Davide gli prese mille carri, e settemila cavalieri, e ventimila pedoni, e tagliò i garetti a' cavalli di tutti i carri, salvo di cento ch'egli riserbò.
5En daar de Arameën van Damascus koning Hadadézer van Soba te hulp waren gekomen, doodde David van de Arameën twee en twintigduizend man.
5Or i Siri di Damasco erano venuti al soccorso di Hadarezer, re di Soba; e Davide percosse di que' Siri ventiduemila uomini.
6Hij stelde in Aram van Damascus stadhouders aan, en het werd aan David schatplichtig. Zo werd David op al zijn tochten door Jahweh geholpen.
6Poi Davide pose guernigioni nella Siria Damascena; ed i Siri divennero soggetti di Davide, pagando tributo. E il Signore salvava Davide dovunque egli andava.
7De gouden schilden, die Hadadézers soldaten droegen, maakte David buit, en bracht ze naar Jerusalem,
7E Davide prese gli scudi d'oro, che i servitori di Hadarezer portavano; e li portò in Gerusalemme.
8terwijl hij uit Tibchat en Koen, twee steden van Hadadézer, een zeer grote hoeveelheid koper meenam; daarvan maakte Salomon de koperen zee, de zuilen en de koperen vaten.
8Davide prese ancora una grandissima quantità di rame da Tibhat, e da Cun, città di Hadarezer; onde Salomone fece il mar di rame, e le colonne, e i vasellamenti di rame.
9Toen Tóoe, de koning van Chamat, vernam, dat David de gehele legermacht van Hadadézer, den koning van Soba, had verslagen,
9Or Tou, re di Hamat, avendo inteso che Davide avea sconfitto tutto l'esercito di Hadarezer, re di Soba,
10zond hij zijn zoon Hadoram naar David, om hem te groeten en geluk te wensen met zijn overwinning op Hadadézer. Hadadézer was namelijk een tegenstander van Tóoe. Hadoram bracht gouden, zilveren en koperen voorwerpen mede,
10mandò il suo figliuolo Hadoram al re Davide, per salutarlo, e per benedirlo di ciò che egli avea combattuto contro ad Hadarezer, e l'avea sconfitto; perciocchè Hadarezer avea fatta guerra aperta a Tou. Gli mandò ancora ogni sorte di vasellamenti d'oro, e d'argento, e di rame.
11en ook deze wijdde David aan Jahweh, zoals hij gedaan had met het zilver en goud, dat hij buitgemaakt had op alle volken: op Edom, Moab, de Ammonieten, de Filistijnen en de Amalekieten.
11Il re Davide consacrò ancora al Signore que' vasellamenti , insieme con l'argento, e con l'oro, ch'egli avea portato da tutte le genti, da Edom, e da' Moabiti, e dai figliuoli di Ammon, e da' Filistei, e da Amalec.
12Absjai, de zoon van Seroeja, versloeg achttien duizend Edomieten in het Zoutdal.
12Oltre a ciò, Abisai, figliuolo di Seruia, sconfisse gl'Idumei nella valle del sale, in numero di diciottomila.
13David stelde in heel Edom stadhouders aan, zodat heel Edom aan David bleef. Zo werd David op al zijn tochten door Jahweh geholpen.
13E mise guernigioni in Idumea; e tutti gl'Idumei divennero soggetti di Davide. E il Signore salvava Davide dovunque egli andava.
14David regeerde dus over geheel Israël, en handelde met heel zijn volk naar wet en recht.
14Così Davide regnò sopra tutto Israele, facendo ragione e giustizia a tutto il suo popolo.
15Joab, de zoon van Seroeja, stond over het leger; Jehosjafat, de zoon van Achiloed, was kanselier;
15E Ioab, figliuolo di Seruia, era Capo dell'esercito; e Giosafat, figliuolo di Ahilud, era Cancelliere;
16Sadok, de zoon van Achitoeb, en Abimélek, de zoon van Ebjatar, waren priesters; Sjawsja was geheimschrijver;
16e Sadoc, figliuolo di Ahitub, ed Abimelec, figliuolo di Ebiatar, erano Sacerdoti; e Sausa era Segretario;
17Benaja, de zoon van Jehodaja, ging over de Kretenzen en Peletiërs; de zonen van David waren de voornaamste raadgevers van den koning.
17e Benaia, figliuolo di Gioiada, era sopra i Cheretei, ed i Peletei; ed i figliuoli di Davide erano i primi appresso del re.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.