1 Kronieken 27
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Hier volgt een opsomming van de israëlietische familiehoofden, de aanvoerders van duizend en honderd, met hun beambten, die den koning dienden in alle aangelegenheden der legerkorpsen, welke alle maanden van het jaar maandelijks in en uitrukten. Elk korps telde vier en twintigduizend man.
1ORA quant'è a' figliuoli d'Israele, secondo le lor descrizioni per capi di famiglie paterne, e capitani di migliaia, e di centinaia, ed i loro ufficiali, ogni spartimento di coloro che servivano al re (secondo tutto l'ordine degli spartimenti, de' quali ciascuno entrava ed usciva di mese in mese, per tutti i mesi dell'anno) era di ventiquattromila uomini .
2Het eerste korps voor de eerste maand stond onder Jasjobam, den zoon van Zabdiël; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
2Iasobam, figliuolo di Zabdiel, era sopra il primo spartimento, per lo primo mese; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
3Hij stamde af van de zonen van Fáres, en was het hoofd van alle legeraanvoerders van de eerste maand.
3Egli era il capo sopra tutti i capitani del primo mese; ed era de' figliuoli di Fares.
4Het korps voor de tweede maand stond onder Dodai, uit de familie Achóach. De aanvoerder van zijn korps was Miklot; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
4E sopra lo spartimento del secondo mese era Dodai Ahoheo; e nel suo spartimento, nel quale v'erano ventiquattromila uomini , Miclot era il conduttore.
5De legeraanvoerder voor de derde maand was Benajáhoe, de zoon van Jehojada, den opperpriester; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
5Il capo del terzo esercito, per lo terzo mese, era Benaia, figliuolo di Gioiada, principale ufficiale; ed egli era capitano in capo; e nel suo spartimento vi erano ventiquattromila uomini .
6Deze Benajáhoe was een van de dertig helden en aanvoerder van de Dertig; over zijn korps ging zijn zoon Ammizabad.
6Questo Benaia era uomo prode fra i trenta, ed era sopra i trenta; ed Ammizzabad, suo figliuolo, era sopra lo spartimento di esso.
7De vierde voor de vierde maand was Asaël, de broer van Joab. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Zebadja; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
7Il quarto, per lo quarto mese, era Asael, fratello di Ioab; e, dopo lui, Zebadia, suo figliuolo; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
8De vijfde voor de vijfde maand was de vorst Sjamhoet van de familie Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
8Il quinto capo, per lo quinto mese, era Samhut Israhita; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
9De zesde voor de zesde maand was Ira, de zoon van Ikkesj uit Tekóa; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
9Il sesto, per lo sesto mese, era Ira, figliuolo d'Icches Tecoita; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
10De zevende voor de zevende maand was Chéles uit Bet-Pélet, die van Efraïm stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
10Il settimo, per lo settimo mese, era Heles Pelonita, de'figliuoli di Efraim; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
11De achtste voor de achtste maand was Sibbekai van de familie Choesja uit het geslacht van Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
11L'ottavo, per l'ottavo mese, era Sibbecai Husatita, della nazione de' Zarhiti; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
12De negende voor de negende maand was Abiézer uit Anatot, de Benjamiet; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
12Il nono, per lo nono mese, era Abiezer Anatotita, de' figliuoli di Beniamino; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
13De tiende voor de tiende maand was Maharai uit Netofa, uit het geslacht Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
13Il decimo, per lo decimo mese, era Maharai Netofatita, della nazione dei Zarhiti; e nel suo spartimento vi erano ventiquattromila uomini .
14De elfde voor de elfde maand was Benaja uit Piraton, die van Efraïm stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
14L'undecimo, per l'undecimo mese, era Benaia Piratonita, de' figliuoli di Efraim; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
15De twaalfde voor de twaalfde maand was Cheldai uit Netofa, die van Otniël stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
15Il duodecimo, per lo duodecimo mese, era Heldai Netofatita, della progenie di Otniel; e nel suo spartimento v'erano ventiquattromila uomini .
16De hoofden van de stammen Israëls waren: Eliëzer, de zoon van Zikri, van de stam Ruben; Sjefatjáhoe, de zoon van Maäka, van de stam Simeon;
16OLTRE a ciò, vi erano de' conduttori sopra le tribù d'Israele; Eliezer, figliuolo di Zicri, era conduttore dei Rubeniti; Sefatia, figliuolo di Maaca, dei Simeoniti;
17Chasjabja, de zoon van Kemoeël, van de levieten, en Sadok van de aäronieten;
17Hasabia, figliuolo di Chemuel, de' Leviti; Sadoc, degli Aaroniti;
18Elihoe, een van Davids broers, van de stam Juda; Omri, de zoon van Mikaël, van de stam Issakar;
18Elihu, de' fratelli di Davide, di que' di Giuda; Omri, figliuolo di Micael, degl'Issacariti;
19Jisjmajáhoe, de zoon van Obadjáhoe, van Zabulon; Jerimot, de zoon van Azriël, van Neftali;
19Ismaia, figliuolo di Obadia, de' Zabuloniti; Ierimot, figliuolo di Azriel, de' Neftaliti;
20Hosjéa, de zoon van Azazjáhoe, van de zonen van Efraïm; Joël, de zoon van Pedajáhoe, van de halve stam Manasse;
20Hosea, figliuolo di Azazia, de' figliuoli di Efraim; Ioel, figliuolo di Pedaia, della mezza tribù di Manasse;
21Jiddo, de zoon van Zekarjáhoe, van de helft van Manasse in Gilad; Jaäsiël, de zoon van Abner, van Benjamin;
21Iddo, figliuolo di Zaccaria, dell' altra mezza tribù di Manasse, in Galaad; Iaaziel, figliuolo di Abner, dei Beniaminiti;
22Azarel, de zoon van Jerocham, van Dan. Dit waren de stamhoofden van Israël.
22Azareel, figliuolo di Ieroham, de' Daniti. Questi furono i capi principali delle tribù d'Israele.
23Het aantal van hen, die onder de twintig jaar waren, heeft David niet laten opnemen, omdat Jahweh beloofd had, de zonen Israëls zo talrijk te maken als de sterren aan de hemel.
23E Davide non levò il numero di essi dall'età di vent'anni in giù; perciocchè il Signore avea detto d'accrescere Israele come le stelle del cielo.
24Wel was Joab, de zoon van Seroeja, begonnen met een volkstelling, maar omdat er tengevolge van deze poging een ramp over Israël was gekomen, kwam hij niet klaar. Daarom is dat aantal ook niet opgenomen in het boek der kronieken van koning David.
24Ioab, figliuolo di Seruia, avea ben cominciato ad annoverare così il popolo , ma non finì; e per questo vi fu indegnazione contro ad Israele; laonde quella descrizione non fu messa fra le descrizioni poste ne' registri del re Davide.
25De schatten des konings werden beheerd door Azmawet, den zoon van Adiël; de bezittingen op het land, in de steden, de dorpen en de vestingen door Jehonatan, den zoon van Oezzi-jáhoe.
25ED Azmavet, figliuolo di Adiel, era sopra i tesori del re; e Gionatan, figliuolo di Uzzia, era sopra i tesori della campagna, nelle città, nelle villate, e nelle castella;
26Opzichter van de landarbeiders, die de grond bewerkten, was Ezri, de zoon van Keloeb.
26ed Ezri, figliuolo di Chelub, era sopra quelli che lavoravano nella campagna nel lavoro della terra;
27Over de wijngaarden ging Sjimi uit Rama; over de voorraden in de wijngaarden en de wijnkelders ging Zabdi, de Sjifmiet.
27e Simi Ramatita era sopra le vigne; e Zabdi Sifmita era sopra i cellieri ch' erano nei vignai, e sopra le conserve del vino;
28Over de olijf- en moerbeiplantingen in de Sjefela ging Báal-Chanan uit Gader, over de voorraden Joasj.
28e Baal-hanan Ghederita, era sopra gli ulivi, e sopra i fichi, ch' erano nella campagna; e Gioas era sopra i cellieri dell'olio;
29Het vee, dat in de Sjaronvlakte weidde, werd verzorgd door Sjitrai uit Sjaron; het vee in de dalen door Sjafat, den zoon van Adlai.
29e Sitrai Saronita era sopra gli armenti che pascevano in Saron; e Safat, figliuolo di Adlai, era sopra gli armenti che pascevano nelle valli;
30Voor de kamelen zorgde Obil, de Jisjmaëliet; voor de ezels Jechdejáhoe uit Meronot;
30ed Obil Ismaelita era sopra i cammelli; e Iedeia Merenotita era sopra le asine.
31voor de schapen Jaziz van de stam Hagri. Al dezen beheerden de bezittingen van koning David.
31E Iaziz Hagareno era sopra le gregge del minuto bestiame. Tutti costoro aveano il governo delle facoltà del re Davide.
32Jonatan, een oom van David en een kundig man, was raadsman en geheimschrijver; Jechiël was belast met de opvoeding der koningskinderen.
32E Gionatan, zio di Davide, uomo intendente e letterato, era consigliere; e Iehiel, figliuolo di Hacmoni, era co' figliuoli del re;
33Achitófel was eveneens koninklijk raadsman, en Choesjai, van de familie Arki, de vertrouwensman van den koning.
33ed Ahitofel era consigliere del re; ed Husai Archita era famigliare del re;
34Na Achitófel waren het Jehojada, de zoon van Benajáhoe, en Ebjatar. De legeroverste des konings was Joab.
34e dopo Ahitofel, fu Gioiada, figliuolo di Benaia, ed Ebiatar; e Ioab era capo dell'esercito del re.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.