1 Kronieken 27
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Hier volgt een opsomming van de israëlietische familiehoofden, de aanvoerders van duizend en honderd, met hun beambten, die den koning dienden in alle aangelegenheden der legerkorpsen, welke alle maanden van het jaar maandelijks in en uitrukten. Elk korps telde vier en twintigduizend man.
1Filii autem Israël secundum numerum suum, principes familiarum, tribuni, et centuriones, et præfecti, qui ministrabant regi juxta turmas suas, ingredientes et egredientes per singulos menses in anno, viginti quatuor millibus singuli præerant.
2Het eerste korps voor de eerste maand stond onder Jasjobam, den zoon van Zabdiël; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
2Primæ turmæ in primo mense Jesboam præerat filius Zabdiel, et sub eo viginti quatuor millia;
3Hij stamde af van de zonen van Fáres, en was het hoofd van alle legeraanvoerders van de eerste maand.
3de filiis Phares, princeps cunctorum principum in exercitu mense primo.
4Het korps voor de tweede maand stond onder Dodai, uit de familie Achóach. De aanvoerder van zijn korps was Miklot; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
4Secundi mensis habebat turmam Dudia Ahohites, et post se alter nomine Macelloth, qui regebat partem exercitus viginti quatuor millium.
5De legeraanvoerder voor de derde maand was Benajáhoe, de zoon van Jehojada, den opperpriester; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
5Dux quoque turmæ tertiæ in mense tertio erat Banaias filius Jojadæ sacerdos: et in divisione sua viginti quatuor millia.
6Deze Benajáhoe was een van de dertig helden en aanvoerder van de Dertig; over zijn korps ging zijn zoon Ammizabad.
6Ipse est Banaias fortissimus inter triginta, et super triginta: præerat autem turmæ ipsius Amizabad filius ejus.
7De vierde voor de vierde maand was Asaël, de broer van Joab. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Zebadja; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
7Quartus, mense quarto, Asahel frater Joab, et Zabadias filius ejus post eum: et in turma ejus viginti quatuor millia.
8De vijfde voor de vijfde maand was de vorst Sjamhoet van de familie Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
8Quintus, mense quinto, princeps Samaoth Jezerites: et in turma ejus viginti quatuor millia.
9De zesde voor de zesde maand was Ira, de zoon van Ikkesj uit Tekóa; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
9Sextus, mense sexto, Hira filius Acces Thecuites: et in turma ejus viginti quatuor millia.
10De zevende voor de zevende maand was Chéles uit Bet-Pélet, die van Efraïm stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
10Septimus, mense septimo, Helles Phallonites de filiis Ephraim: et in turma ejus viginti quatuor millia.
11De achtste voor de achtste maand was Sibbekai van de familie Choesja uit het geslacht van Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
11Octavus, mense octavo, Sobochai Husathites de stirpe Zarahi: et in turma ejus viginti quatuor millia.
12De negende voor de negende maand was Abiézer uit Anatot, de Benjamiet; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
12Nonus, mense nono, Abiezer Anathothites de filiis Jemini: et in turma ejus viginti quatuor millia.
13De tiende voor de tiende maand was Maharai uit Netofa, uit het geslacht Zara; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
13Decimus, mense decimo, Marai, et ipse Netophathites de stirpe Zarai: et in turma ejus viginti quatuor millia.
14De elfde voor de elfde maand was Benaja uit Piraton, die van Efraïm stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
14Undecimus, mense undecimo, Banaias Pharathonites de filiis Ephraim: et in turma ejus viginti quatuor millia.
15De twaalfde voor de twaalfde maand was Cheldai uit Netofa, die van Otniël stamde; zijn korps telde vier en twintigduizend man.
15Duodecimus, mense duodecimo, Holdai Netophathites, de stirpe Gothoniel: et in turma ejus viginti quatuor millia.
16De hoofden van de stammen Israëls waren: Eliëzer, de zoon van Zikri, van de stam Ruben; Sjefatjáhoe, de zoon van Maäka, van de stam Simeon;
16Porro tribubus præerant Israël, Rubenitis, dux Eliezer filius Zechri: Simeonitis, dux Saphatias filius Maacha:
17Chasjabja, de zoon van Kemoeël, van de levieten, en Sadok van de aäronieten;
17Levitis, Hasabias filius Camuel: Aaronitis, Sadoc:
18Elihoe, een van Davids broers, van de stam Juda; Omri, de zoon van Mikaël, van de stam Issakar;
18Juda, Eliu frater David: Issachar, Amri filius Michaël.
19Jisjmajáhoe, de zoon van Obadjáhoe, van Zabulon; Jerimot, de zoon van Azriël, van Neftali;
19Zabulonitis, Jesmaias filius Abdiæ: Nephthalitibus, Jerimoth filius Ozriel:
20Hosjéa, de zoon van Azazjáhoe, van de zonen van Efraïm; Joël, de zoon van Pedajáhoe, van de halve stam Manasse;
20filiis Ephraim, Osee filius Ozaziu: dimidiæ tribui Manasse, Joël filius Phadaiæ:
21Jiddo, de zoon van Zekarjáhoe, van de helft van Manasse in Gilad; Jaäsiël, de zoon van Abner, van Benjamin;
21et dimidiæ tribui Manasse in Galaad, Jaddo filius Zachariæ: Benjamin autem, Jasiel filius Abner:
22Azarel, de zoon van Jerocham, van Dan. Dit waren de stamhoofden van Israël.
22Dan vero, Ezrihel filius Jeroham: hi principes filiorum Israël.
23Het aantal van hen, die onder de twintig jaar waren, heeft David niet laten opnemen, omdat Jahweh beloofd had, de zonen Israëls zo talrijk te maken als de sterren aan de hemel.
23Noluit autem David numerare eos a viginti annis inferius: quia dixerat Dominus ut multiplicaret Israël quasi stellas cæli.
24Wel was Joab, de zoon van Seroeja, begonnen met een volkstelling, maar omdat er tengevolge van deze poging een ramp over Israël was gekomen, kwam hij niet klaar. Daarom is dat aantal ook niet opgenomen in het boek der kronieken van koning David.
24Joab filius Sarviæ cœperat numerare, nec complevit: quia super hoc ira irruerat in Israël, et idcirco numerus eorum qui fuerant recensiti, non est relatus in fastos regis David.
25De schatten des konings werden beheerd door Azmawet, den zoon van Adiël; de bezittingen op het land, in de steden, de dorpen en de vestingen door Jehonatan, den zoon van Oezzi-jáhoe.
25Super thesauros autem regis fuit Azmoth filius Adiel: his autem thesauris, qui erant in urbibus, et in vicis, et in turribus, præsidebat Jonathan filius Oziæ.
26Opzichter van de landarbeiders, die de grond bewerkten, was Ezri, de zoon van Keloeb.
26Operi autem rustico, et agricolis qui exercebant terram, præerat Ezri filius Chelub:
27Over de wijngaarden ging Sjimi uit Rama; over de voorraden in de wijngaarden en de wijnkelders ging Zabdi, de Sjifmiet.
27vinearumque cultoribus, Semeias Romathites: cellis autem vinariis, Zabdias Aphonites.
28Over de olijf- en moerbeiplantingen in de Sjefela ging Báal-Chanan uit Gader, over de voorraden Joasj.
28Nam super oliveta et ficeta quæ erant in campestribus, Balanam Gederites: super apothecas autem olei, Joas.
29Het vee, dat in de Sjaronvlakte weidde, werd verzorgd door Sjitrai uit Sjaron; het vee in de dalen door Sjafat, den zoon van Adlai.
29Porro armentis quæ pascebantur in Saron, præpositus fuit Setrai Saronites: et super boves in vallibus, Saphat filius Adli:
30Voor de kamelen zorgde Obil, de Jisjmaëliet; voor de ezels Jechdejáhoe uit Meronot;
30super camelos vero, Ubil Ismahelites: et super asinos, Jadias Meronathites:
31voor de schapen Jaziz van de stam Hagri. Al dezen beheerden de bezittingen van koning David.
31super oves quoque, Jaziz Agareus: omnes hi, principes substantiæ regis David.
32Jonatan, een oom van David en een kundig man, was raadsman en geheimschrijver; Jechiël was belast met de opvoeding der koningskinderen.
32Jonathan autem patruus David, consiliarius, vir prudens et litteratus: ipse et Jahiel filius Hachamoni erant cum filiis regis.
33Achitófel was eveneens koninklijk raadsman, en Choesjai, van de familie Arki, de vertrouwensman van den koning.
33Achitophel etiam consiliarius regis, et Chusai Arachites amicus regis.
34Na Achitófel waren het Jehojada, de zoon van Benajáhoe, en Ebjatar. De legeroverste des konings was Joab.
34Post Achitophel fuit Jojada filius Banaiæ, et Abiathar. Princeps autem exercitus regis erat Joab.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.