1 Kronieken 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1De zonen van Juda waren: Fáres, Chesron, Karmi, Choer en Sjobal.
1I FIGLIUOLI di Giuda furono Fares, ed Hesron, e Carmi, ed Hur, e Sobal.
2Reaja, de zoon van Sjobal, verwekte Jáchat; Jáchat verwekte Achoemai en Láhad. Dit zijn de geslachten van Sora.
2E Reaia, figliuolo di Sobal, generò Iahat; e Iahat generò Ahumai e Lahad. Queste son le famiglie de'Soratei.
3De zonen van Choer, den vader van Etam, waren: Jizreël, Jisjma en Jidbasj; ze hadden een zuster, die Hasselelponi heette;
3E questi furono figliuoli del padre di Etam, cioè: Izreel, ed Isma, ed Idbas: e il nome della lor sorella era Haslelponi.
4verder nog Penoeël, de stamvader van Gedor, en Ézer, de stamvader van Choesja. Dit waren de afstammelingen van Choer, den oudsten zoon van Efrat en stamvader van Betlehem.
4E Penuel fu padre di Ghedor, ed Ezer padre di Husa. Questi furono i figliuoli di Hur, promigenito di Efrat, padre di Bet-lehem.
5Asjchoer de stamvader van Tekóa, had twee vrouwen: Chela en Naära.
5Ed Ashur, padre di Tecoa, ebbe due mogli: Helea e Naara.
6Naära schonk hem Achoezzam, Chéfer, Temeni en Achasjtari; allen kinderen van Naära.
6E Naara gli partorì Ahuzzam, e Hefer, e Temeni, ed Ahastari. Questi furono figliuoli di Naara.
7De zonen van Chela waren Séret, Jischar en Etnan.
7Ed i figliuoli di Helea furono Seret, Iesohar, Etnan,
8Kos was de vader van Anoeb en Hassobeba, en van de geslachten van Acharchel, den zoon van Haroem.
8e Cos, il quale generò Anub, e Sobeba, e le famiglie di Aharhel, figliuolo di Harum.
9Jabes was voornamer dan zijn broers; zijn moeder had hem Jabes genoemd, omdat zij hem met moeite ter wereld had gebracht.
9E Iabes fu il più onorato de' suoi fratelli; or sua madre gli pose nome Iabes, perciocchè disse: Io l'ho partorito con dolore.
10Jabes bad tot den God van Israël: Als Gij mij werkelijk wilt zegenen en mijn gebied uitbreiden, moet uw hand met mij zijn, en moet Gij het volvoeren zonder rampen, zonder mij leed te doen. En God verhoorde zijn gebed.
10Or Iabes invocò l'Iddio d'Israele, dicendo: Oh! se pur mi benedicessi, ed allargassi i miei confini, e fosse la tua mano meco, e facessi che io non fossi afflitto d'alcun male! E Iddio fece avvenire ciò ch'egli avea chiesto.
11Keloeb, de broer van Sjoecha, verwekte Mechir, den vader van Esjton.
11E Chelub, fratello di Suha, generò Mehir, che fu padre di Eston.
12Esjton verwekte Bet-Rafa, Paséach en Techinna, den vader van Ir-Nachasj. Dit waren de mannen van Reka.
12Ed Eston generò la famiglia di Rafa, e Pasea, e Tehinna, padre della città di Nahas. Questi furono la gente di Reca.
13De zonen van Kenaz waren Otniël en Seraja; de zoon van Otniël was Chatat.
13Ed i figliuoli di Chenaz furono Otniel e Seraia. Ed i figliuoli di Otniel furono Hatat,
14Meonotai verwekte Ofra en Seraja. Deze verwekte Joab, den stamvader van het Dal der Handwerkers; ze waren namelijk handwerkers.
14e Meonotai, il quale generò Ofra; e Semia generò Ioab, padre di coloro che abitarono nella valle, detta dei fabbri; perciocchè essi erano fabbri.
15De zonen van Kaleb den zoon van Jefoenne, waren:Iroe, Ela en Náam. De zoon van Ela was Kenaz.
15Ed i figliuoli di Caleb, figliuolo di Gefunne, furono Iru, Ela, e Naam. E il figliuolo di Ela fu Chenaz.
16De zonen van Jehallelel waren: Zif, Zifa, Tireja en Asarel.
16Ed i figliuoli di Iehalleleel furono Zif, e Zifa, Tiria, ed Asareel.
17De zonen van Esra waren Jéter, Méred, Éfer en Jalon. Hier volgen de kinderen van Bitja, een dochter van Farao, die Méred gehuwd had; ze werd zwanger van Mirjam, Sjammai en Jisjbach, den vader van Esjtemóa.
17Ed i figliuoli di Esdra furono Ieter, e Mered, ed Efer, e Ialon; e la moglie di Mered partorì Miriam, e Sammai, ed Isba, padre di Estemoa.
18Zijn joodse vrouw schonk hem Jéred den vader van Gédor, Chéber den vader van Soko, en Jekoetiël den vader van Zanóach.
18E l' altra sua moglie Giudea partorì Iered, padre di Ghedor; ed Heber, padre di Soco; e Iecutiel, padre di Zanoa. Ma quegli altri precedenti furono figliuoli di Bitia, figliuola di Faraone, la quale Mered avea presa per moglie .
19De kinderen van de vrouw van Hodi-ja, de zuster van Nácham, waren: de stamvader van Keïla uit Gérem, en Esjtemóa uit Maäka.
19E questi ultimi furono figliuoli della moglie Giudea, la quale era sorella di Naham, padre de' Garmei, abitanti in Cheila; e de' Maacatiti, abitanti in Estemoa.
20De zonen van Sjimon waren: Amnon, Rinna, Ben-Chanan, en Tilon. De zonen van Jisji waren Zochet en de zoon van Zochet.
20E i figliuoli di Simone furono Amnon e Rinna; Ben-hanan e Tilon. Ed i figliuoli d'Isi furono Zobet e Ben-zohet.
21De zonen van Sjela, den zoon van Juda, waren: Er, de stamvader van Leka; Lada, de stamvader van Maresja en van de geslachten der byssus-wevers van Bet-Asjbéa;
21I figliuoli di Sela, figliuolo di Giuda, furono Er, padre di Lecha; e Lada, padre di Maresa; e le famiglie della casa di Asbea, la quale esercitava l'arte del bisso;
22Jokim en de mannen van Kozeba; Joasj en Saraf, die zich meester maakten van Moab en naar Léchem terugkeerden. Maar dat is een oude geschiedenis.
22e Iochim, e que' di Cozeba, e Ioas, e Saraf, i quali signoreggiarono sopra Moab; e Iasubi-lehem. Ma queste cose sono antiche.
23Het waren pottebakkers, die hun woonplaats hadden in Netaïm en Gedera. Ze woonden daar in dienst des konings.
23Essi furono vasellai; ed uomini che stavano ne'giardini e ne' parchi; e dimorarono quivi appresso del re per fare il suo lavoro.
24De zonen van Simeon waren: Nemoeël, Jamin, Jarib, Zébach en Sjaoel.
24I FIGLIUOLI di Simeone furono Nemuel, e Iamin, Iarib, Zera e Saulle;
25De zoon van Sjaoel was Sjalloem; die van Sjalloem was Mibsam, die van Mibsam was Misjma.
25di cui fu figliuolo Sallum di cui fu figliuolo Mibsam, di cui fu figliuolo Misma.
26De zonen van Misjma waren de volgende: zijn eigen zoon was Chamoeël; die van Chamoeël was Zakkoer; die van Zakkoer was Sjimi.
26E il figliuolo di Misma fu Hamuel, di cui fu figliuolo Zaccur, di cui fu figliuolo Simi.
27Wel had Sjimi zestien zonen en zes dochters, maar zijn broers hadden niet veel kinderen; daarom was hun gehele stam niet zo talrijk als die van de Judeërs.
27E Simi ebbe sedici figliuoli e sei figliuole; ma i suoi fratelli non ebbero molti figliuoli; talchè tutta la lor nazione non moltiplicò al pari de' figliuoli di Giuda.
28Ze hadden hun woonplaatsen in Beër-Sjéba, Molada, Chasar-Sjoeal,
28Ed abitarono in Beerseba, ed in Molada, ed in Hasar-sual,
29Bilha, Ésem, Tolad,
29ed in Bilha, ed in Esem, ed in Tolad,
30Betoeël, Chorma, Sikelag,
30ed in Betuel, ed in Horma, ed in Siclag, ed in Bet-marcabot,
31Bet-Hammarkabot, Chasar-Soesim, Bet-Biri en Sjaäráim. Dat waren hun woonplaatsen tot aan de regering van David.
31ed in Hasar-susim, ed in Bet-birei ed in Saaraim. Queste furono le lor città mentre regnò Davide.
32Hun dorpen waren Etam, Ain, Rimmon, Tóken en Asjan: in het geheel vijf nederzettingen;
32E le lor castella furono Etam, ed Ain; Rimmon, e Tochen, ed Asan, cinque terre;
33verder al de dorpen in de omgeving van genoemde nederzettingen tot Báal toe. Dit waren hun woonplaatsen. Zij hadden hun eigen stamregister.
33insieme con tutte le loro villate, ch' erano intorno a quelle città, fino a Baal. Queste furono le loro stanze, come essi le spartirono fra loro per le lor nazioni.
34Bovendien waren er nog: Mesjobab, Jamlek, Josja de zoon van Amasja,
34Or Mesobab, e Iamlec, e Iosa, figliuolo di Amasia;
35Joël en Jehoe, de zoon van Josjibja, den zoon van Seraja, zoon van Asiël.
35e Ioel, e Iehu, figliuolo di Iosibia, figliuolo di Seraia, figliuolo di Asiel;
36Verder nog Eljoënai, Jaakóba, Jesjochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja,
36ed Elioenai, e Iaacoba, e Iesohaia, ed Asaia, ed Adiel, e Iesimiel, e Benaia;
37en Ziza, de zoon van Sjifi, den zoon van Allon, zoon van Jedaja, zoon van Sjimri, zoon van Sjemaja.
37e Ziza, figliuolo di Sifi, figliuolo di Allon, figliuolo di Iedaia, figliuolo di Simri, figliuolo di Semaia;
38De zo juist met name genoemden waren de hoofden van hun geslachten. Hun families breidden zich zo sterk uit,
38costoro furono quelli ch' erano famosi, capi nelle lor famiglie; e le case loro paterne crebbero in grandissimo numero.
39dat ze in de richting van Gerar trokken tot oostelijk van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun schapen.
39Laonde andarono dall'entrata di Ghedor, fino alla parte orientale della valle, per cercar paschi per i lor bestiami.
40Inderdaad vonden ze een malse en geschikte weidegrond. Het land was ruim genoeg, vreedzaam en welvarend; want de vroegere bewoners stamden van Cham.
40E trovarono de' paschi grassi e buoni, ed un paese largo, quieto e felice; perciocchè quelli che vi abitavano prima eran de' discendenti di Cam.
41De zo juist met name genoemden deden daar tijdens de regering van koning Ezekias van Juda een inval, vernielden hun tenten, sloegen de daar aanwezige Meoenieten tot op deze dag met de ban, en vestigden zich daar in hun plaats; daar was namelijk weidegrond voor hun schapen.
41Costoro adunque, che sono stati descritti per i nomi loro, vennero al tempo di Ezechia, re di Giuda, e percossero le tende di coloro, e gli abitacoli che vi furono ritrovati; e li distrussero a modo dell'interdetto; e così son restati fino a questo giorno, ed abitarono in luogo loro; perciocchè quivi erano paschi per le lor gregge.
42Ook trokken er vijf honderd Simeonieten naar het Seïr-gebergte, onder aanvoering van Pelatja, Nearja, Refaja en Oezziël, zonen van Jisji.
42Oltre a ciò, cinquecent'uomini d'infra loro, de' figliuoli di Simeone, avendo per lor capi Pelatia, e Nearia, e Refaia, ed Uzziel, figliuoli d'Isi, andarono al monte di Seir.
43Ze versloegen het laatste restje van de Amalekieten, en wonen daar tot op de dag van heden.
43E percossero il rimanente degli scampati d'infra gli Amalechiti; e sono abitati quivi infino a questo giorno.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.