1 Kronieken
Chapter 4
Petrus Canisius Bible, 1…
vs World English Bible
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1De zonen van Juda waren: Fáres, Chesron, Karmi, Choer en Sjobal.
1The sons of Judah: Perez, Hezron, Carmi, Hur, and Shobal.
2Reaja, de zoon van Sjobal, verwekte Jáchat; Jáchat verwekte Achoemai en Láhad. Dit zijn de geslachten van Sora.
2Reaiah the son of Shobal became the father of Jahath; and Jahath became the father of Ahumai and Lahad. These are the families of the Zorathites.
3De zonen van Choer, den vader van Etam, waren: Jizreël, Jisjma en Jidbasj; ze hadden een zuster, die Hasselelponi heette;
3These were the sons of the father of Etam: Jezreel, Ishma, and Idbash. The name of their sister was Hazzelelponi.
4verder nog Penoeël, de stamvader van Gedor, en Ézer, de stamvader van Choesja. Dit waren de afstammelingen van Choer, den oudsten zoon van Efrat en stamvader van Betlehem.
4Penuel was the father of Gedor and Ezer the father of Hushah. These are the sons of Hur, the firstborn of Ephrathah, the father of Bethlehem.
5Asjchoer de stamvader van Tekóa, had twee vrouwen: Chela en Naära.
5Ashhur the father of Tekoa had two wives, Helah and Naarah.
6Naära schonk hem Achoezzam, Chéfer, Temeni en Achasjtari; allen kinderen van Naära.
6Naarah bore him Ahuzzam, Hepher, Temeni, and Haahashtari. These were the sons of Naarah.
7De zonen van Chela waren Séret, Jischar en Etnan.
7The sons of Helah were Zereth, Izhar, and Ethnan.
8Kos was de vader van Anoeb en Hassobeba, en van de geslachten van Acharchel, den zoon van Haroem.
8Hakkoz became the father of Anub, Zobebah, and the families of Aharhel the son of Harum.
9Jabes was voornamer dan zijn broers; zijn moeder had hem Jabes genoemd, omdat zij hem met moeite ter wereld had gebracht.
9Jabez was more honorable than his brothers. His mother named him Jabez, saying, “Because I bore him with sorrow.”
10Jabes bad tot den God van Israël: Als Gij mij werkelijk wilt zegenen en mijn gebied uitbreiden, moet uw hand met mij zijn, en moet Gij het volvoeren zonder rampen, zonder mij leed te doen. En God verhoorde zijn gebed.
10Jabez called on the God of Israel, saying, “Oh that you would bless me indeed, and enlarge my border! May your hand be with me, and may you keep me from evil, that I may not cause pain!” God granted him that which he requested.
11Keloeb, de broer van Sjoecha, verwekte Mechir, den vader van Esjton.
11Chelub the brother of Shuhah became the father of Mehir, who was the father of Eshton.
12Esjton verwekte Bet-Rafa, Paséach en Techinna, den vader van Ir-Nachasj. Dit waren de mannen van Reka.
12Eshton became the father of Beth Rapha, Paseah, and Tehinnah the father of Ir Nahash. These are the men of Recah.
13De zonen van Kenaz waren Otniël en Seraja; de zoon van Otniël was Chatat.
13The sons of Kenaz: Othniel and Seraiah. The sons of Othniel: Hathath.
14Meonotai verwekte Ofra en Seraja. Deze verwekte Joab, den stamvader van het Dal der Handwerkers; ze waren namelijk handwerkers.
14Meonothai became the father of Ophrah: and Seraiah became the father of Joab the father of Ge Harashim, for they were craftsmen.
15De zonen van Kaleb den zoon van Jefoenne, waren:Iroe, Ela en Náam. De zoon van Ela was Kenaz.
15The sons of Caleb the son of Jephunneh: Iru, Elah, and Naam. The son of Elah: Kenaz.
16De zonen van Jehallelel waren: Zif, Zifa, Tireja en Asarel.
16The sons of Jehallelel: Ziph, Ziphah, Tiria, and Asarel.
17De zonen van Esra waren Jéter, Méred, Éfer en Jalon. Hier volgen de kinderen van Bitja, een dochter van Farao, die Méred gehuwd had; ze werd zwanger van Mirjam, Sjammai en Jisjbach, den vader van Esjtemóa.
17The sons of Ezrah: Jether, Mered, Epher, and Jalon; and Mered’s wife bore Miriam, Shammai, and Ishbah the father of Eshtemoa.
18Zijn joodse vrouw schonk hem Jéred den vader van Gédor, Chéber den vader van Soko, en Jekoetiël den vader van Zanóach.
18His wife the Jewess bore Jered the father of Gedor, Heber the father of Soco, and Jekuthiel the father of Zanoah. These are the sons of Bithiah the daughter of Pharaoh, whom Mered took.
19De kinderen van de vrouw van Hodi-ja, de zuster van Nácham, waren: de stamvader van Keïla uit Gérem, en Esjtemóa uit Maäka.
19The sons of the wife of Hodiah, the sister of Naham, were the fathers of Keilah the Garmite and Eshtemoa the Maacathite.
20De zonen van Sjimon waren: Amnon, Rinna, Ben-Chanan, en Tilon. De zonen van Jisji waren Zochet en de zoon van Zochet.
20The sons of Shimon: Amnon, Rinnah, Ben Hanan, and Tilon. The sons of Ishi: Zoheth, and Ben Zoheth.
21De zonen van Sjela, den zoon van Juda, waren: Er, de stamvader van Leka; Lada, de stamvader van Maresja en van de geslachten der byssus-wevers van Bet-Asjbéa;
21The sons of Shelah the son of Judah: Er the father of Lecah, Laadah the father of Mareshah, and the families of the house of those who worked fine linen, of the house of Ashbea;
22Jokim en de mannen van Kozeba; Joasj en Saraf, die zich meester maakten van Moab en naar Léchem terugkeerden. Maar dat is een oude geschiedenis.
22and Jokim, and the men of Cozeba, and Joash, and Saraph, who had dominion in Moab, and Jashubilehem. These records are ancient.
23Het waren pottebakkers, die hun woonplaats hadden in Netaïm en Gedera. Ze woonden daar in dienst des konings.
23These were the potters, and the inhabitants of Netaim and Gederah; they lived there with the king for his work.
24De zonen van Simeon waren: Nemoeël, Jamin, Jarib, Zébach en Sjaoel.
24The sons of Simeon: Nemuel, Jamin, Jarib, Zerah, Shaul;
25De zoon van Sjaoel was Sjalloem; die van Sjalloem was Mibsam, die van Mibsam was Misjma.
25Shallum his son, Mibsam his son, and Mishma his son.
26De zonen van Misjma waren de volgende: zijn eigen zoon was Chamoeël; die van Chamoeël was Zakkoer; die van Zakkoer was Sjimi.
26The sons of Mishma: Hammuel his son, Zaccur his son, Shimei his son.
27Wel had Sjimi zestien zonen en zes dochters, maar zijn broers hadden niet veel kinderen; daarom was hun gehele stam niet zo talrijk als die van de Judeërs.
27Shimei had sixteen sons and six daughters; but his brothers didn’t have many children, and all their family didn’t multiply like the children of Judah.
28Ze hadden hun woonplaatsen in Beër-Sjéba, Molada, Chasar-Sjoeal,
28They lived at Beersheba, Moladah, Hazarshual,
29Bilha, Ésem, Tolad,
29at Bilhah, at Ezem, at Tolad,
30Betoeël, Chorma, Sikelag,
30at Bethuel, at Hormah, at Ziklag,
31Bet-Hammarkabot, Chasar-Soesim, Bet-Biri en Sjaäráim. Dat waren hun woonplaatsen tot aan de regering van David.
31at Beth Marcaboth, Hazar Susim, at Beth Biri, and at Shaaraim. These were their cities until David’s reign.
32Hun dorpen waren Etam, Ain, Rimmon, Tóken en Asjan: in het geheel vijf nederzettingen;
32Their villages were Etam, Ain, Rimmon, Tochen, and Ashan, five cities;
33verder al de dorpen in de omgeving van genoemde nederzettingen tot Báal toe. Dit waren hun woonplaatsen. Zij hadden hun eigen stamregister.
33and all their villages that were around the same cities, as far as Baal. These were their settlements, and they kept their genealogy.
34Bovendien waren er nog: Mesjobab, Jamlek, Josja de zoon van Amasja,
34Meshobab, Jamlech, Joshah the son of Amaziah,
35Joël en Jehoe, de zoon van Josjibja, den zoon van Seraja, zoon van Asiël.
35Joel, Jehu the son of Joshibiah, the son of Seraiah, the son of Asiel,
36Verder nog Eljoënai, Jaakóba, Jesjochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja,
36Elioenai, Jaakobah, Jeshohaiah, Asaiah, Adiel, Jesimiel, Benaiah,
37en Ziza, de zoon van Sjifi, den zoon van Allon, zoon van Jedaja, zoon van Sjimri, zoon van Sjemaja.
37and Ziza the son of Shiphi, the son of Allon, the son of Jedaiah, the son of Shimri, the son of Shemaiah—
38De zo juist met name genoemden waren de hoofden van hun geslachten. Hun families breidden zich zo sterk uit,
38these mentioned by name were princes in their families. Their fathers’ houses increased greatly.
39dat ze in de richting van Gerar trokken tot oostelijk van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun schapen.
39They went to the entrance of Gedor, even to the east side of the valley, to seek pasture for their flocks.
40Inderdaad vonden ze een malse en geschikte weidegrond. Het land was ruim genoeg, vreedzaam en welvarend; want de vroegere bewoners stamden van Cham.
40They found rich, good pasture, and the land was wide, and quiet, and peaceful, for those who lived there before were descended from Ham.
41De zo juist met name genoemden deden daar tijdens de regering van koning Ezekias van Juda een inval, vernielden hun tenten, sloegen de daar aanwezige Meoenieten tot op deze dag met de ban, en vestigden zich daar in hun plaats; daar was namelijk weidegrond voor hun schapen.
41These written by name came in the days of Hezekiah king of Judah, and struck their tents and the Meunim who were found there; and they destroyed them utterly to this day, and lived in their place, because there was pasture there for their flocks.
42Ook trokken er vijf honderd Simeonieten naar het Seïr-gebergte, onder aanvoering van Pelatja, Nearja, Refaja en Oezziël, zonen van Jisji.
42Some of them, even of the sons of Simeon, five hundred men, went to Mount Seir, having for their captains Pelatiah, Neariah, Rephaiah, and Uzziel, the sons of Ishi.
43Ze versloegen het laatste restje van de Amalekieten, en wonen daar tot op de dag van heden.
43They struck the remnant of the Amalekites who escaped, and have lived there to this day.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.