1 Kronieken
Chapter 4
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1De zonen van Juda waren: Fáres, Chesron, Karmi, Choer en Sjobal.
1Synové Judovi: Fáres, Ezron, Charmi, Hur a Sobal.
2Reaja, de zoon van Sjobal, verwekte Jáchat; Jáchat verwekte Achoemai en Láhad. Dit zijn de geslachten van Sora.
2Reaiáš pak syn Sobalův zplodil Jachata, Jachat pak zplodil Ahumai a Laad. Ti jsou rodové Zarati.
3De zonen van Choer, den vader van Etam, waren: Jizreël, Jisjma en Jidbasj; ze hadden een zuster, die Hasselelponi heette;
3A tito z otce Etama: Jezreel, Isma a Idbas; a jméno sestry jejich Zelelfoni.
4verder nog Penoeël, de stamvader van Gedor, en Ézer, de stamvader van Choesja. Dit waren de afstammelingen van Choer, den oudsten zoon van Efrat en stamvader van Betlehem.
4Fanuel pak otec Gedor, a Ezer otec Chusův. Ti jsou synové Hur prvorozeného Efraty, otce Betlémských.
5Asjchoer de stamvader van Tekóa, had twee vrouwen: Chela en Naära.
5Ashur pak otec Tekoe měl dvě manželky, Chélu a Naaru.
6Naära schonk hem Achoezzam, Chéfer, Temeni en Achasjtari; allen kinderen van Naära.
6I porodila jemu Naara Achuzama, Hefera, Temana a Achastara. Ti jsou synové Naary.
7De zonen van Chela waren Séret, Jischar en Etnan.
7Synové pak Chéle: Zeret, Jezochar a Etnan.
8Kos was de vader van Anoeb en Hassobeba, en van de geslachten van Acharchel, den zoon van Haroem.
8Kóz pak zplodil Anuba, Hazobeba, a rodiny Acharchele syna Harumova.
9Jabes was voornamer dan zijn broers; zijn moeder had hem Jabes genoemd, omdat zij hem met moeite ter wereld had gebracht.
9Byl pak Jábez slavnější nad bratří své, a matka jeho nazvala jméno jeho Jábez, řkuci: Nebo jsem ho porodila s bolestí.
10Jabes bad tot den God van Israël: Als Gij mij werkelijk wilt zegenen en mijn gebied uitbreiden, moet uw hand met mij zijn, en moet Gij het volvoeren zonder rampen, zonder mij leed te doen. En God verhoorde zijn gebed.
10Kterýžto Jábez vzýval Boha Izraelského, řka: Jestliže štědře požehnáš mi, a rozšíříš meze mé, a bude ruka tvá se mnou, a vysvobodíš mne od zlého, abych bolesti netrpěl. I učinil Bůh, začež žádal.
11Keloeb, de broer van Sjoecha, verwekte Mechir, den vader van Esjton.
11Chelub pak, bratr Sucha, zplodil Mechiru. Onť jest otec Estonův.
12Esjton verwekte Bet-Rafa, Paséach en Techinna, den vader van Ir-Nachasj. Dit waren de mannen van Reka.
12Eston pak zplodil Betrafa, Paseacha a Techinna, otce města Náchas. Ti jsou muži Rechy.
13De zonen van Kenaz waren Otniël en Seraja; de zoon van Otniël was Chatat.
13Synové pak Cenezovi: Otoniel a Saraiáš. Synové pak Otonielovi: Chatat.
14Meonotai verwekte Ofra en Seraja. Deze verwekte Joab, den stamvader van het Dal der Handwerkers; ze waren namelijk handwerkers.
14Meonatai pak zplodil Ofru, Saraiáš pak zplodil Joába, otce bydlících v údolí řemeslníků; nebo tam řemeslníci byli.
15De zonen van Kaleb den zoon van Jefoenne, waren:Iroe, Ela en Náam. De zoon van Ela was Kenaz.
15Synové pak Kálefa, syna Jefonova: Iru, Ela a Naam. Syn pak Ela: Cenez.
16De zonen van Jehallelel waren: Zif, Zifa, Tireja en Asarel.
16Synové pak Jehalleleelovi: Zif, Zifa, Tiriáš a Asarel.
17De zonen van Esra waren Jéter, Méred, Éfer en Jalon. Hier volgen de kinderen van Bitja, een dochter van Farao, die Méred gehuwd had; ze werd zwanger van Mirjam, Sjammai en Jisjbach, den vader van Esjtemóa.
17A synové Ezry: Jeter, Mered, Efer a Jalon. Porodila také Miriama, Sammai a Jezba otce Estemo.
18Zijn joodse vrouw schonk hem Jéred den vader van Gédor, Chéber den vader van Soko, en Jekoetiël den vader van Zanóach.
18Manželka pak jeho Jehudia porodila Jereda otce Gedor, a Hebera otce Socho, a Jekutiele otce Zanoe. A ti jsou synové Betie dcery Faraonovy, kterouž pojal Mered.
19De kinderen van de vrouw van Hodi-ja, de zuster van Nácham, waren: de stamvader van Keïla uit Gérem, en Esjtemóa uit Maäka.
19Synové pak manželky Hodia sestry Nachamovy, otce Cejly: Garmi a Estemo Maachatský.
20De zonen van Sjimon waren: Amnon, Rinna, Ben-Chanan, en Tilon. De zonen van Jisji waren Zochet en de zoon van Zochet.
20Synové pak Simonovi: Amnon, Rinna, Benchanan a Tilon. A synové Jesi: Zochet a Benzochet.
21De zonen van Sjela, den zoon van Juda, waren: Er, de stamvader van Leka; Lada, de stamvader van Maresja en van de geslachten der byssus-wevers van Bet-Asjbéa;
21Synové Séla syna Judova: Her otec Lechův, a Lada otec Maresův, a čeledi domu těch, jenž dělali díla kmentová v domě Asbea,
22Jokim en de mannen van Kozeba; Joasj en Saraf, die zich meester maakten van Moab en naar Léchem terugkeerden. Maar dat is een oude geschiedenis.
22A Jokim a muži Chozeby, Joas a Saraf, kteříž panovali v Moáb, a Jasubi Lechem. Ale ty věci jsou starodávní.
23Het waren pottebakkers, die hun woonplaats hadden in Netaïm en Gedera. Ze woonden daar in dienst des konings.
23Toť jsou ti hrnčíři obyvatelé v štěpnicích a ohradách u krále, příčinou díla jeho tam bydlíce.
24De zonen van Simeon waren: Nemoeël, Jamin, Jarib, Zébach en Sjaoel.
24Synové Simeonovi: Namuel, Jamin, Jarib, Zára a Saul.
25De zoon van Sjaoel was Sjalloem; die van Sjalloem was Mibsam, die van Mibsam was Misjma.
25Sallum syn jeho, Mabsam syn jeho, Masma syn jeho.
26De zonen van Misjma waren de volgende: zijn eigen zoon was Chamoeël; die van Chamoeël was Zakkoer; die van Zakkoer was Sjimi.
26Synové pak Masmovi: Hamuel syn jeho, Zakur syn jeho, Semei syn jeho.
27Wel had Sjimi zestien zonen en zes dochters, maar zijn broers hadden niet veel kinderen; daarom was hun gehele stam niet zo talrijk als die van de Judeërs.
27Ten Semei měl synů šestnácte a dcer šest. Bratří pak jejich neměli mnoho synů, tak že vší rodiny jejich nebylo tak mnoho, jako synů Judových.
28Ze hadden hun woonplaatsen in Beër-Sjéba, Molada, Chasar-Sjoeal,
28Bydlili pak v Bersabé a Molada a v Azarsual,
29Bilha, Ésem, Tolad,
29A v Bála, v Esem a v Tolad,
30Betoeël, Chorma, Sikelag,
30A v Betueli, v Horma a v Sicelechu,
31Bet-Hammarkabot, Chasar-Soesim, Bet-Biri en Sjaäráim. Dat waren hun woonplaatsen tot aan de regering van David.
31A v Betmarchabot, a v Azarsusim, v Betberi a v Saraim. Ta byla města jejich, dokudž kraloval David.
32Hun dorpen waren Etam, Ain, Rimmon, Tóken en Asjan: in het geheel vijf nederzettingen;
32Vsi také jejich při Etam, Ain, Remmon, Tochen, Asan, pěti městech.
33verder al de dorpen in de omgeving van genoemde nederzettingen tot Báal toe. Dit waren hun woonplaatsen. Zij hadden hun eigen stamregister.
33A tak všecky vesnice jejich, kteréž byly vůkol těch měst až do Baal, ta byla obydlé jejich vedlé rodu jejich.
34Bovendien waren er nog: Mesjobab, Jamlek, Josja de zoon van Amasja,
34A Mesobab, Jamlech a Josa syn Amazův;
35Joël en Jehoe, de zoon van Josjibja, den zoon van Seraja, zoon van Asiël.
35A Joel, a Jéhu syn Jozabiáše, syna Saraiášova, syna Azielova;
36Verder nog Eljoënai, Jaakóba, Jesjochaja, Asaja, Adiël, Jesimiël, Benaja,
36A Elioenai, Jákoba, Jesochaiáš, Asaiáš, Adiel a Jesimeel a Benaiáš;
37en Ziza, de zoon van Sjifi, den zoon van Allon, zoon van Jedaja, zoon van Sjimri, zoon van Sjemaja.
37A Ziza syn Sifi, syna Allonova, syna Jedaiášova, syna Simri, syna Semaiášova.
38De zo juist met name genoemden waren de hoofden van hun geslachten. Hun families breidden zich zo sterk uit,
38Tito ze jména vyčtení ustaveni jsou za knížata v čeledech svých, a čeledi otcovské jejich rozmnožily se náramně.
39dat ze in de richting van Gerar trokken tot oostelijk van het dal, om weidegrond te zoeken voor hun schapen.
39A protož brali se, kudyž se vchází k Gedor, až k východu po údolí tom, aby hledali pastev dobytku svému.
40Inderdaad vonden ze een malse en geschikte weidegrond. Het land was ruim genoeg, vreedzaam en welvarend; want de vroegere bewoners stamden van Cham.
40I nalezli pastvu hojnou a výbornou, zemi pak prostrannou, bezpečnou a pokojnou, a že z Chama byli ti, kteříž bydlili tam před tím.
41De zo juist met name genoemden deden daar tijdens de regering van koning Ezekias van Juda een inval, vernielden hun tenten, sloegen de daar aanwezige Meoenieten tot op deze dag met de ban, en vestigden zich daar in hun plaats; daar was namelijk weidegrond voor hun schapen.
41Protož přišedše ti napsaní ze jména ve dnech Ezechiáše krále Judského, pobořili stany jejich a příbytky, kteříž tam nalezeni byli, a zmordovali je, tak že jich do tohoto dne není, a sami osedli místo nich; nebo měli tu pastvu dobytku svému.
42Ook trokken er vijf honderd Simeonieten naar het Seïr-gebergte, onder aanvoering van Pelatja, Nearja, Refaja en Oezziël, zonen van Jisji.
42Někteří pak z těch synů Simeonových odebrali se na horu Seir, mužů pět set, jichž Pelatia, Neariáš, Refaiáš a Uziel, synové Jesi, byli vůdcové.
43Ze versloegen het laatste restje van de Amalekieten, en wonen daar tot op de dag van heden.
43I vyplénili ostatek těch, kteříž ušli z Amalechitských, a bydlili tam až do tohoto dne.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.