1 Kronieken 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Eens voerden de Filistijnen oorlog met Israël. De Israëlieten sloegen voor de Filistijnen op de vlucht, en vielen dodelijk getroffen op het gebergte van Gilbóa.
1Když pak bojovali Filistinští s Izraelem, utíkali muži Izraelští před Filistinskými, a padli, zbiti jsouce na hoře Gelboe.
2De Filistijnen zaten Saul en zijn zonen op de hielen. En toen zij Jonatan, Abinadab en Malkisjóea, de zonen van Saul, hadden gedood,
2I stihali Filistinští Saule a syny jeho, a zabili Filistinští Jonatu, Abinadaba a Melchisua, syny Saulovy.
3richtte zich heel de strijd tegen Saul. Enige boogschutters kregen hem onder schot; hij werd bang voor hen,
3A když se zsilila bitva proti Saulovi, trefili na něj střelci s luky, a postřelen jest od střelců.
4en sprak tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard en doorsteek mij ermee; anders komen die onbesnedenen hun spel met me drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, omdat hij teveel ontzag voor hem had. Daarom nam Saul het zwaard, en stortte zich erin.
4Protož řekl Saul oděnci svému: Vytrhni meč svůj a probodni mne jím, aby přijdouce ti neobřezanci, nečinili sobě ze mne posměchu. Ale nechtěl oděnec jeho, nebo se bál velmi. A pochytiv Saul meč, nalehl na něj.
5Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, stortte ook hij zich in zijn zwaard en stierf.
5Tedy vida oděnec jeho, že umřel Saul, nalehl i on na meč a umřel.
6Zo stierf Saul met zijn drie zonen, en viel heel zijn gezin gelijk met hem.
6A tak umřel Saul i tři synové jeho, a všecka čeled jeho spolu zemřeli.
7Toen de Israëlieten uit de vlakte bemerkten, dat de Israëlieten gevlucht waren, en Saul met zijn zonen gesneuveld, verlieten ze allen de steden en namen de vlucht; waarop de Filistijnen kwamen en ze bezetten.
7Když pak uzřeli všickni muži Izraelští, kteříž bydlili za tím údolím, že utekli Izraelští, a že zemřeli Saul i synové jeho, opustivše města svá, též utíkali. I přišli Filistinští a bydlili v nich.
8Toen de Filistijnen de volgende dag de gesneuvelden kwamen uitplunderen, vonden zij Saul met zijn zonen op het gebergte van Gilbóa liggen.
8Potom nazejtří přišli Filistinští, aby zloupili pobité. I nalezli Saule a syny jeho, ležící na hoře Gelboe.
9Ze plunderden hem uit, sloegen hem het hoofd af, trokken hem zijn wapenrusting uit, en zonden boden rond in het Filistijnenland, om het blijde nieuws onder hun goden en onder het volk te verspreiden.
9A svlékše ho, vzali hlavu jeho i odění jeho, a poslali po zemi Filistinské vůkol, aby to ohlášeno bylo modlám jejich i lidu.
10Ze plaatsten zijn wapenrusting in de tempel van hun goden, en hingen zijn hoofd op in de tempel van Dagon.
10Složili také i odění jeho v chrámě boha svého, hlavu pak jeho přibili v chrámě Dágon.
11Toen de bewoners van Jabesj in Gilad hoorden, wat de Filistijnen allemaal met Saul gedaan hadden,
11Tedy uslyšavše všickni v Jábes Galád všecko, což učinili Filistinští Saulovi,
12rukten alle weerbare mannen uit, haalden Sauls lijk en dat van zijn zonen weg, brachten ze naar Jabesj over en begroeven ze onder de terebint in Jabesj; daarna vastten zij zeven dagen.
12Zdvihli se všickni muži silní a vzali tělo Saulovo, a těla synů jeho, a přinesli je doJábes. A pochovavše kosti jejich pod jedním dubem v Jábes, postili se sedm dní.
13Zo vond Saul de dood, omdat hij van Jahweh was afgevallen, daar hij het voorschrift van Jahweh niet had onderhouden, en zelfs een dodengeest ter ondervraging had opgeroepen,
13A tak umřel Saul pro přestoupení své, jímž byl přestoupil proti Hospodinu, totiž proti slovu Hospodinovu, jehož neostříhal, a že se také radil s duchem věštím, doptávaje se ho,
14inplaats van Jahweh. Om die reden strafte Hij hem met de dood, en gaf Hij het koningschap over aan David, den zoon van Jesse.
14A nedoptával se Hospodina. Protož zabil jej, a přenesl království na Davida syna Izai.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.