1 Kronieken
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Toen David voor zichzelf paleizen had gebouwd in de Davidstad, stelde hij een plaats vast voor de ark van God en spande haar een tent.
1David se bâtit des maisons dans la cité de David; il prépara une place à l’arche de Dieu, et dressa pour elle une tente.
2Maar nu beval David, dat de ark van God alleen gedragen zou worden door de levieten, daar Jahweh hen had uitverkoren, om de ark van God te dragen en Hem voor altijd te dienen.
2Alors David dit: L’arche de Dieu ne doit être portée que par les Lévites, car l’Éternel les a choisis pour porter l’arche de Dieu et pour en faire le service à toujours.
3Nu liet David heel Israël naar Jerusalem komen, om de ark van Jahweh over te brengen naar de plaats, die hij daarvoor had vastgesteld.
3Et David assembla tout Israël à Jérusalem pour faire monter l’arche de l’Éternel à la place qu’il lui avait préparée.
4Hij riep de zonen van Aäron en de levieten bijeen;
4David assembla les fils d’Aaron et les Lévites:
5van de afstammelingen van Kehat: Oeriël, het hoofd, met honderd twintig stamgenoten;
5des fils de Kehath, Uriel le chef et ses frères, cent vingt;
6van de afstammelingen van Merari: Asaja, het hoofd, met tweehonderd twintig stamgenoten;
6des fils de Merari, Asaja le chef et ses frères, deux cent vingt;
7van de afstammelingen van Gersjom: Joël, het hoofd, met honderd dertig stamgenoten;
7des fils de Guerschom, Joël le chef et ses frères, cent trente;
8van de afstammelingen van Elisafan: Sjemaja, het hoofd, met tweehonderd stamgenoten;
8des fils d’Élitsaphan, Schemaeja le chef et ses frères, deux cents;
9van de afstammelingen van Chebron: Eliël, het hoofd, met tachtig stamgenoten;
9des fils d’Hébron, Éliel le chef et ses frères, quatre-vingts;
10van de afstammelingen van Oezziël: Amminadab, het hoofd, met honderd twintig stamgenoten.
10des fils d’Uziel, Amminadab le chef et ses frères, cent douze.
11Daarna ontbood David de priesters Sadok en Ebjatar, en de levieten Oeriël, Asaja, Joël, Sjemaja, Eliël en Amminadab,
11David appela les sacrificateurs Tsadok et Abiathar, et les Lévites Uriel, Asaja, Joël, Schemaeja, Éliel et Amminadab.
12en zeide tot hen: Gij, de familiehoofden der levieten, moet uzelf en uw broeders heiligen, om de ark van Jahweh, den God van Israël, over te brengen naar de plaats, die ik daarvoor heb vastgesteld.
12Il leur dit: Vous êtes les chefs de famille des Lévites; sanctifiez-vous, vous et vos frères, et faites monter à la place que je lui ai préparée l’arche de l’Éternel, du Dieu d’Israël.
13Want de vorige keer, toen gij er niet waart, is Jahweh heftig tegen ons losgebroken, omdat wij niet voor Hem hadden gezorgd, zoals het behoort.
13Parce que vous n’y étiez pas la première fois, l’Éternel, notre Dieu, nous a frappés; car nous ne l’avons pas cherché selon la loi.
14De priesters en levieten heiligden zich dus, om de ark van Jahweh, den God van Israël, over te brengen.
14Les sacrificateurs et les Lévites se sanctifièrent pour faire monter l’arche de l’Éternel, du Dieu d’Israël.
15De levieten zouden nu de ark van God met stangen op hun schouders dragen, zoals Moses op Gods bevel had bepaald.
15Les fils des Lévites portèrent l’arche de Dieu sur leurs épaules avec des barres, comme Moïse l’avait ordonné d’après la parole de l’Éternel.
16Ook gaf David aan de hoofden der levieten het bevel, de zangers onder hun stamgenoten met de muziekinstrumenten, harpen, citers en cymbalen op te stellen, om feestelijke klanken te laten horen.
16Et David dit aux chefs des Lévites de disposer leurs frères les chantres avec des instruments de musique, des luths, des harpes et des cymbales, qu’ils devaient faire retentir de sons éclatants en signe de réjouissance.
17De levieten wezen dus Heman aan, den zoon van Joël, met zijn stamgenoot Asaf, den zoon van Berekjáhoe, en van de Merarieten, hun ambtgenoten, Etan, den zoon van Koesjajáhoe.
17Les Lévites disposèrent Héman, fils de Joël; parmi ses frères, Asaph, fils de Bérékia; et parmi les fils de Merari, leurs frères, Éthan, fils de Kuschaja;
18Verder hun ambtgenoten van de tweede rang: de poortwachters Zekarjáhoe, Jaäziël, Sjemiramot, Jechiël, Oenni, Eliab, Benajáhoe, Maäsejáhoe, Mattitjáhoe, Elifeléhoe, Miknejáhoe, Obed-Edom en Jeïël.
18puis avec eux leurs frères du second ordre Zacharie, Ben, Jaaziel, Schemiramoth, Jehiel, Unni, Éliab, Benaja, Maaséja, Matthithia, Éliphelé et Miknéja, et Obed-Édom et Jeïel, les portiers.
19Bovendien de zangers Heman, Asaf en Etan met koperen cymbalen voor de feestmuziek;
19Les chantres Héman, Asaph et Éthan avaient des cymbales d’airain, pour les faire retentir.
20Zekarja, Aziël, Sjemiramot, Jechiël, Oenni, Eliab, Maäsejáhoe, Benajáhoe met harpen, hooggestemd;
20Zacharie, Aziel, Schemiramoth, Jehiel, Unni, Éliab, Maaséja et Benaja avaient des luths sur alamoth;
21Mattitjáhoe, Elifeléhoe, Miknejáhoe, Obed-Edom, Jeïël en Azazjáhoe met citers, om een octaaf lager te begeleiden.
21et Matthithia, Éliphelé, Miknéja, Obed-Édom, Jeïel et Azazia, avaient des harpes à huit cordes, pour conduire le chant.
22Kenanjáhoe had bij het vervoer het toezicht op de levieten, en daar hij deskundig was, de leiding bij het vervoer.
22Kenania, chef de musique parmi les Lévites, dirigeait la musique, car il était habile.
23Berekja en Elkana hielden de wacht bij de ark.
23Bérékia et Elkana étaient portiers de l’arche.
24De priesters Sjebanjáhoe, Josjafat, Netaneël, Amasai, Zekarjáhoe, Benajáhoe en Eliézer bliezen op de trompetten voor de ark van God, en Obed-Edom en Jechi-ja hielden de wacht bij de ark.
24Schebania, Josaphat, Nethaneel, Amasaï, Zacharie, Benaja et Éliézer, les sacrificateurs, sonnaient des trompettes devant l’arche de Dieu. Obed-Édom et Jechija étaient portiers de l’arche.
25Nu ging David met de oudsten van Israël en de bevelhebbers van duizend de verbondsark van Jahweh op feestelijke wijze uit het huis van Obed-Edom overbrengen.
25David, les anciens d’Israël, et les chefs de milliers se mirent en route pour faire monter l’arche de l’alliance de l’Éternel depuis la maison d’Obed-Édom, au milieu des réjouissances.
26En toen bleek, dat God de levieten bijstond, die de verbondsark van Jahweh droegen, werden zeven stieren en zeven rammen geofferd.
26Ce fut avec l’assistance de Dieu que les Lévites portèrent l’arche de l’alliance de l’Éternel; et l’on sacrifia sept taureaux et sept béliers.
27David was daarbij gekleed in een mantel van fijn lijnwaad, gelijk alle levieten, die de ark droegen, en zoals de zangers, Kenanja, de leider van het vervoer, en de muzikanten; verder was David slechts met een linnen borstkleed bedekt.
27David était revêtu d’un manteau de byssus; il en était de même de tous les Lévites qui portaient l’arche, des chantres, et de Kenania, chef de musique parmi les chantres; et David avait sur lui un éphod de lin.
28Zo bracht Israël de verbondsark van Jahweh over, met gejubel en bazuingeschal, terwijl de trompetten, cymbalen, harpen en citers hun feestklanken lieten horen.
28Tout Israël fit monter l’arche de l’alliance de l’Éternel avec des cris de joie, au son des clairons, des trompettes et des cymbales, et en faisant retentir les luths et les harpes.
29Toen de verbondsark van Jahweh in de Davidstad aankwam, gluurde Mikal, de dochter van Saul, door het venster. Zij zag koning David dansend en springend, en verachtte hem in haar hart.
29Comme l’arche de l’alliance de l’Éternel entrait dans la cité de David, Mical, fille de Saül, regardait par la fenêtre, et voyant le roi David sauter et danser, elle le méprisa dans son cœur.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.