Spreuken
Chapter 21
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1In Jahweh’s hand is het hart van een koning als een beekje; Hij leidt het, waarheen Hij wil.
1Jako potůčkové vod jest srdce královo v ruce Hospodinově; kamžkoli chce, nakloňuje ho.
2Al denkt de mens, dat al zijn wegen recht zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst.
2Všeliká cesta člověka přímá se zdá jemu, ale kterýž zpytuje srdce, Hospodin jest.
3Rechtvaardigheid beoefenen en billijkheid, Is Jahweh meer waard dan offers.
3Vykonávati spravedlnost a soud více se líbí Hospodinu nežli obět.
4Een hooghartige blik, een opgeblazen hart, De aanplant der bozen is zonde
4Vysokost očí, širokost srdce, a orání bezbožných jest hříchem.
5De plannen van een ijverig mens brengen louter voordeel, Maar wie zich overhaast, krijgt enkel gebrek.
5Myšlení bedlivého všelijak ku prospěchu přicházejí, ale každého toho, kdož kvapný jest, toliko k nouzi.
6Wie met leugens schatten wil verwerven, Jaagt ijdelheid na en de strikken des doods.
6Pokladové jazykem lživým shromáždění jsou marnost pomíjející hledajících smrti.
7Bozen worden door hun gewelddaden meegesleept; Want zij weigeren, recht te doen.
7Zhouba, kterouž činí bezbožníci, bydliti bude u nich; nebo se zpěčují činiti soudu.
8Kronkelig is de weg van een bedrieger; Wie eerlijk is, handelt oprecht.
8Muž, jehož cesta převrácená jest, cizí jest, čistého pak dílo přímé jest.
9Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning.
9Lépe jest bydliti v koutě na střeše, nežli s ženou svárlivou v domě společném.
10Een slecht karakter haakt naar kwaad; Zelfs zijn naaste vindt geen genade in zijn ogen.
10Duše bezbožného žádá zlého, ani přítel jeho jemu příjemný nebývá.
11Straft ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Leest men een wijze de les, hij leert er nog uit.
11Posměvač když bývá trestán, hloupý bývá moudřejší; a když se uměle nakládá s moudrým, přijímá umění.
12De Rechtvaardige let op het huis van den boze, En stort de boosdoeners in het verderf.
12Vyučuje Bůh spravedlivého na domě bezbožného, kterýž vyvrací bezbožné pro zlost.
13Wie zich doof houdt voor de smeekbede van een arme, Zal ook zelf roepen en geen antwoord krijgen.
13Kdo zacpává ucho své k volání chudého, i on sám volati bude, a nebude vyslyšán.
14Toorn wordt door een stille gift ontwapend, Hevige gramschap door een geschenk in de buidel.
14Dar skrytý ukrocuje prchlivost, a pocta v klíně hněv prudký.
15Dat er recht wordt gedaan, is voor den rechtvaardige een vreugde, Voor de boosdoeners een ramp.
15Radostí jest spravedlivému činiti soud, ale hrůzou činitelům nepravosti.
16De mens, die afdwaalt van het pad der wijsheid, Mag in de kring der schimmen uitrusten.
16Èlověk bloudící z cesty rozumnosti v shromáždění mrtvých odpočívati bude.
17Wie van feestvieren houdt, vervalt tot gebrek; Wie veel wijn en olie verbruikt, wordt niet rijk.
17Muž milující veselost nuzníkem bývá, a kdož miluje víno a masti, nezbohatne.
18De boze is een losprijs voor den rechtvaardige, Zondaars komen voor de deugdzamen in de plaats.
18Výplatou za spravedlivého bude bezbožný, a za upřímé ošemetný.
19Beter in een woestijn te wonen, Dan bij een snibbige en humeurige vrouw.
19Lépe jest bydliti v zemi pusté než s ženou svárlivou a zlostnou.
20In de woning van een wijze blijven kostbare schatten, Maar de domoor jaagt ze erdoor.
20Poklad žádostivý a olej jest v příbytku moudrého, bláznivý pak člověk zžírá jej.
21Wie naar rechtvaardigheid en goedheid streeft, Zal leven vinden en aanzien.
21Kdo snažně následuje spravedlnosti a milosrdenství, nalézá život, spravedlnost i slávu.
22De wijze beklimt een stad van helden, En werpt het bolwerk neer, waarop zij vertrouwen.
22Do města silných vchází moudrý, a boří pevnost doufání jeho.
23Wie let op zijn mond en zijn tong, Bespaart zich moeilijkheden.
23Kdo ostříhá úst svých a jazyka svého, ostříhá od úzkosti duše své.
24“Spotter” noemt men een overmoedig, vermetel mens, Een die handelt in mateloze trots.
24Hrdého a pyšného jméno jest posměvač, kterýž vše s neochotností a pýchou dělá.
25Een luiaard komt nog om door zijn ondeugd, Want zijn handen weigeren te werken.
25Žádost lenivého zabijí jej, nebo nechtí ruce jeho dělati.
26Heel de dag zit de zondaar te hunkeren, Maar de rechtvaardige deelt rijkelijk uit.
26Každého dne žádostí hoří, spravedlivý pak dává a neskoupí se.
27Het offer der bozen is iets afschuwelijks; Hoeveel te meer, als hij het brengt voor een wandaad.
27Obět bezbožných ohavností jest, ovšem pak jestliže by ji s nešlechetností obětovali.
28Een leugenachtig getuige gaat te gronde; Iemand die luistert, mag altijd spreken.
28Svědek lživý zahyne, ale muž, kterýž co slyší, stále mluviti bude.
29Wel trekt een boosdoener een brutaal gezicht, Maar een rechtvaardige doorziet zijn gedrag.
29Muž bezbožný zatvrzuje tvář svou, upřímý pak měří cestu svou.
30Er is geen wijsheid, geen beraad, Geen verstand tegenover Jahweh.
30Není žádné moudrosti, ani opatrnosti, ani rady proti Hospodinu.
31Wel worden paarden getuigd voor de dag van de strijd, Maar de zege hangt van Jahweh af.
31Kůň strojen bývá ke dni boje, ale Hospodinovo jest vysvobození.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.