Spreuken 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1In Jahweh’s hand is het hart van een koning als een beekje; Hij leidt het, waarheen Hij wil.
1Il cuor del re è nella mano del Signore come ruscelli di acque; Egli lo piega a tutto ciò che gli piace.
2Al denkt de mens, dat al zijn wegen recht zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst.
2Tutte le vie dell'uomo gli paiono diritte; Ma il Signore pesa i cuori.
3Rechtvaardigheid beoefenen en billijkheid, Is Jahweh meer waard dan offers.
3Far giustizia e giudicio È cosa più gradita dal Signore, che sacrificio.
4Een hooghartige blik, een opgeblazen hart, De aanplant der bozen is zonde
4Gli occhi altieri, e il cuor gonfio, Che son la lampana degli empi, son peccato.
5De plannen van een ijverig mens brengen louter voordeel, Maar wie zich overhaast, krijgt enkel gebrek.
5I pensieri dell' uomo diligente producono di certo abbondanza; Ma l'uomo disavveduto cade senza fallo in necessità.
6Wie met leugens schatten wil verwerven, Jaagt ijdelheid na en de strikken des doods.
6Il far tesori con lingua di falsità è una cosa vana, Sospinta in qua ed in là; e si appartiene a quelli che cercan la morte.
7Bozen worden door hun gewelddaden meegesleept; Want zij weigeren, recht te doen.
7Il predar degli empi li trarrà in giù; Perciocchè hanno rifiutato di far ciò che è diritto.
8Kronkelig is de weg van een bedrieger; Wie eerlijk is, handelt oprecht.
8La via stravolta dell'uomo è anche strana; Ma l'opera di chi è puro è diritta.
9Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning.
9Meglio è abitare sopra un canto di un tetto, Che con una moglie rissosa in casa comune.
10Een slecht karakter haakt naar kwaad; Zelfs zijn naaste vindt geen genade in zijn ogen.
10L'anima dell'empio desidera il male; Il suo amico stesso non trova pietà appo lui.
11Straft ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Leest men een wijze de les, hij leert er nog uit.
11Quando lo schernitore è gastigato, il semplice ne diventa savio; E quando si ammonisce il savio, egli apprende scienza.
12De Rechtvaardige let op het huis van den boze, En stort de boosdoeners in het verderf.
12Il giusto considera la casa dell'empio; Ella trabocca l'empio nel male.
13Wie zich doof houdt voor de smeekbede van een arme, Zal ook zelf roepen en geen antwoord krijgen.
13Chi tura l'orecchio, per non udire il grido del misero, Griderà anch'egli, e non sarà esaudito.
14Toorn wordt door een stille gift ontwapend, Hevige gramschap door een geschenk in de buidel.
14Il presente dato di nascosto acqueta l'ira; E il dono porto nel seno acqueta il forte cruccio.
15Dat er recht wordt gedaan, is voor den rechtvaardige een vreugde, Voor de boosdoeners een ramp.
15Il far ciò che è diritto è letizia al giusto; Ma è uno spavento agli operatori d'iniquità.
16De mens, die afdwaalt van het pad der wijsheid, Mag in de kring der schimmen uitrusten.
16L'uomo che devia dal cammino del buon senno Riposerà in compagnia de' morti.
17Wie van feestvieren houdt, vervalt tot gebrek; Wie veel wijn en olie verbruikt, wordt niet rijk.
17L'uomo che ama godere sarà bisognoso; Chi ama il vino e l'olio non arricchirà.
18De boze is een losprijs voor den rechtvaardige, Zondaars komen voor de deugdzamen in de plaats.
18L'empio sarà per riscatto del giusto; E il disleale sarà in iscambio degli uomini diritti.
19Beter in een woestijn te wonen, Dan bij een snibbige en humeurige vrouw.
19Meglio è abitare in terra deserta, Che con una moglie rissosa e stizzosa.
20In de woning van een wijze blijven kostbare schatten, Maar de domoor jaagt ze erdoor.
20Nell'abitacolo del savio vi è un tesoro di cose rare, e d'olii preziosi ; Ma l'uomo stolto dissipa tutto ciò.
21Wie naar rechtvaardigheid en goedheid streeft, Zal leven vinden en aanzien.
21Chi va dietro a giustizia e benignità Troverà vita, giustizia, e gloria.
22De wijze beklimt een stad van helden, En werpt het bolwerk neer, waarop zij vertrouwen.
22Il savio sale nella città de' valenti, Ed abbatte la forza di essa.
23Wie let op zijn mond en zijn tong, Bespaart zich moeilijkheden.
23Chi guarda la sua bocca e la sua lingua Guarda l'anima sua d'afflizioni.
24“Spotter” noemt men een overmoedig, vermetel mens, Een die handelt in mateloze trots.
24Il nome del superbo presuntuoso è: schernitore; Egli fa ogni cosa con furor di superbia.
25Een luiaard komt nog om door zijn ondeugd, Want zijn handen weigeren te werken.
25Il desiderio del pigro l'uccide; Perciocchè le sue mani rifiutano di lavorare.
26Heel de dag zit de zondaar te hunkeren, Maar de rechtvaardige deelt rijkelijk uit.
26L'uomo dato a cupidigia appetisce tuttodì; Ma il giusto dona, e non risparmia.
27Het offer der bozen is iets afschuwelijks; Hoeveel te meer, als hij het brengt voor een wandaad.
27Il sacrificio degli empi è cosa abbominevole; Quanto più se l'offeriscono con scelleratezza!
28Een leugenachtig getuige gaat te gronde; Iemand die luistert, mag altijd spreken.
28Il testimonio mendace perirà; Ma l'uomo che ascolta parlerà in perpetuo.
29Wel trekt een boosdoener een brutaal gezicht, Maar een rechtvaardige doorziet zijn gedrag.
29L'uomo empio si rende sfacciato; Ma l' uomo diritto addirizza le sue vie.
30Er is geen wijsheid, geen beraad, Geen verstand tegenover Jahweh.
30Non vi è sapienza, nè prudenza, Nè consiglio, incontro al Signore.
31Wel worden paarden getuigd voor de dag van de strijd, Maar de zege hangt van Jahweh af.
31Il cavallo è apparecchiato per lo giorno della battaglia; Ma il salvare appartiene al Signore.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.