Spreuken
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een vriendelijk antwoord ontwapent de toorn, Een krenkend gezegde jaagt de woede op.
1La risposta dolce acqueta il cruccio; Ma la parola molesta fa montar l'ira.
2De tong der wijzen druipt van wijsheid, De mond der dommen stort dwaasheid uit.
2La scienza adorna la lingua de' savi; Ma la bocca degli stolti sgorga follia.
3Jahweh’s ogen waren overal rond, Nauwkeurig lettend op slechten en goeden.
3Gli occhi del Signore sono in ogni luogo; Riguardando i malvagi ed i buoni.
4Rustige taal is een boom des levens, Heftige woorden wonden de ziel.
4La medicina della lingua è un albero di vita; Ma la sovversione che avviene per essa è simile ad un fracasso fatto dal vento.
5Een dwaas slaat het vermaan van zijn vader in de wind; Verstandig hij, die op een waarschuwing let.
5Lo stolto disdegna la correzion di suo padre; Ma chi osserva la riprensione diventerà avveduto.
6In het huis van den rechtvaardige heerst grote welvaart, Maar het gewin der zondaars gaat teloor.
6Nella casa del giusto vi sono di gran facoltà; Ma vi è dissipazione nell'entrate dell'empio.
7De lippen der wijzen verspreiden de kennis, Het hart der dwazen doet het niet.
7Le labbra de' savi spandono scienza; Ma non fa già così il cuor degli stolti.
8Jahweh heeft een afschuw van het offer der bozen, Maar welbehagen in het gebed der rechtvaardigen.
8Il sacrificio degli empi è cosa abbominevole al Signore; Ma l'orazione degli uomini diritti gli è cosa grata.
9Jahweh verafschuwt de weg van een boosdoener; Hij houdt van hem, die naar rechtvaardigheid streeft.
9La via dell'empio è cosa abbominevole al Signore; Ma egli ama chi procaccia giustizia.
10Strenge straf wacht hem, die het rechte pad verlaat; Wie niets van bestraffing wil weten, zal sterven.
10La correzione è spiacevole a chi lascia la diritta via; Chi odia la riprensione morrà.
11Onderwereld en dodenrijk liggen open voor Jahweh, Hoeveel te meer de harten van de kinderen der mensen!
11L'inferno e il luogo della perdizione son davanti al Signore; Quanto più i cuori de' figliuoli degli uomini!
12De spotter houdt er niet van, dat men hem vermaant; Daarom gaat hij niet met wijzen om.
12Lo schernitore non ama che altri lo riprenda, E non va a' savi.
13Een vrolijk hart maakt een blij gezicht, Verdriet in het hart slaat de geest terneer.
13Il cuore allegro abbellisce la faccia; Ma per lo cordoglio lo spirito è abbattuto.
14Een verstandig hart streeft naar kennis, De mond der dommen vermeit zich in dwaasheid.
14Il cuor dell' uomo intendente cerca la scienza; Ma la bocca degli stolti si pasce di follia.
15Een neerslachtig mens heeft steeds kwade dagen, Voor een blijmoedig karakter is het altijd feest.
15Tutti i giorni dell'afflitto son cattivi; Ma chi è allegro di cuore è come in un convito perpetuo.
16Beter weinig te bezitten en Jahweh te vrezen, Dan vele schatten met wroeging erbij.
16Meglio vale poco col timor del Signore, Che gran tesoro con turbamento.
17Beter een schoteltje groente, waar liefde heerst, Dan een gemeste stier met haat erbij.
17Meglio vale un pasto d'erbe, ove sia amore, Che di bue ingrassato, ove sia odio.
18Een driftkop stookt ruzie, Een lankmoedig mens bedaart de twist.
18L'uomo iracondo muove contese; Ma chi è lento all'ira acqueta le risse.
19De weg van een luiaard is als een doornheg, Het pad der vlijtigen is gebaand.
19La via del pigro è come una siepe di spine; Ma la via degli uomini diritti è elevata.
20Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader, Een dwaas mens minacht zijn moeder.
20Il figliuol savio rallegra il padre; Ma l'uomo stolto sprezza sua madre.
21In dwaasheid vindt een onverstandig mens zijn genoegen, Een man van inzicht houdt de rechte weg.
21La follia è allegrezza al l'uomo scemo di senno; Ma l'uomo intendente cammina dirittamente.
22Bij gebrek aan overleg mislukken de plannen, Na rijp beraad komen ze tot stand.
22I disegni son renduti vani dove non è consiglio; Ma sono stabili dove è moltitudine di consiglieri.
23Men kan plezier hebben in zijn eigen antwoord; Maar hoe treffend is een woord, dat van pas komt!
23L'uomo riceve allegrezza della risposta della sua bocca; E quant' è buona una parola detta al suo tempo!
24De wijze gaat de weg des levens omhoog, Hij wil het dodenrijk beneden ontwijken.
24La via della vita va in su all'uomo intendente, Per ritrarsi dall'inferno che è a basso.
25Jahweh haalt het huis der hoogmoedigen neer, Maar zet de grenspaal van een weduwe vast.
25Il Signore spianta la casa de' superbi; Ma stabilisce il confine della vedova.
26Jahweh heeft een afschuw van snode plannen, Maar vriendelijke woorden zijn Hem rein.
26I pensieri malvagi son cosa abbominevole al Signore; Ma i detti che gli son piacevoli sono i puri.
27Wie oneerlijke winst maakt, schaadt zijn eigen huis; Maar wie van omkoperij niets moet hebben, blijft leven.
27Chi è dato a cupidigia dissipa la sua casa; Ma chi odia i presenti viverà.
28Een rechtvaardig mens overweegt wat hij zegt, De mond der bozen stort onheil uit.
28Il cuor del giusto medita ciò che ha da rispondere; Ma la bocca degli empi sgorga cose malvage.
29Jahweh is verre van de zondaars, Maar Hij hoort het gebed der rechtvaardigen.
29Il Signore è lontano dagli empi; Ma egli esaudisce l'orazione de' giusti.
30Stralende ogen verblijden het hart, Een goede tijding verkwikt het gebeente.
30La luce degli occhi rallegra il cuore; La buona novella ingrassa le ossa.
31Wie naar heilzame vermaning luistert, Woont in de kring der wijzen.
31L'orecchio che ascolta la riprensione della vita Dimorerà per mezzo i savi.
32Wie de tucht niet telt, telt zich zelven niet; Wie naar vermaning luistert, krijgt inzicht.
32Chi schifa la correzione disdegna l'anima sua; Ma chi ascolta la riprensione acquista senno.
33Het ontzag voor Jahweh voedt op tot wijsheid, Aan de eer gaat ootmoed vooraf.
33Il timor del Signore è ammaestramento di sapienza; E l'umiltà va davanti alla gloria.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.