Spreuken
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, Neem mijn wenken ter harte.
1Figliuol mio, non dimenticare il mio insegnamento; E il cuor tuo guardi i miei comandamenti;
2Ze schenken u lengte van dagen, jaren van leven, En overvloedige welvaart!
2Perchè ti aggiungeranno lunghezza di giorni, Ed anni di vita, e prosperità.
3Liefde en trouw mogen u nimmer verlaten, Hang ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart;
3Benignità e verità non ti abbandoneranno; Legateli in su la gola, scrivili in su la tavola del tuo cuore;
4Dan zult ge goed en verstandig zijn, In de ogen van God en de mensen.
4E tu troverai grazia e buon senno Appo Iddio, ed appo gli uomini.
5Vertrouw op Jahweh met heel uw hart, Verlaat u niet op uw eigen inzicht;
5Confidati nel Signore con tutto il tuo cuore; E non appoggiarti in su la tua prudenza.
6Denk aan Hem op al uw wegen, Dan zal Hij uw paden effenen.
6Riconoscilo in tutte le tue vie, Ed egli addirizzerà i tuoi sentieri.
7Wees niet wijs in uw eigen ogen, Heb ontzag voor Jahweh en vermijd het kwaad:
7Non reputarti savio appo te stesso; Temi il Signore, e ritratti dal male.
8Het zal genezing brengen voor uw lichaam, Verkwikking voor uw gebeente.
8Ciò sarà una medicina al tuo bellico, Ed un inaffiamento alle tue ossa.
9Eer Jahweh met heel uw bezit, Met het beste van al uw inkomsten:
9Onora il Signore con le tue facoltà, E con le primizie d'ogni tua rendita;
10Dan zullen uw schuren vol koren zijn, Uw kuipen bersten van most.
10Ed i tuoi granai saran ripieni di beni in ogni abbondanza, E le tue tina traboccheranno di mosto.
11Mijn zoon, sla de lessen van Jahweh niet in de wind, Heb geen afkeer van zijn bestraffing;
11Figliuol mio, non disdegnar la correzione del Signore; E non ti rincresca il suo gastigamento;
12Want Jahweh tuchtigt hem, dien Hij liefheeft, Kastijdt het kind, dat Hij mag.
12Perciocchè il Signore gastiga chi egli ama; Anzi come un padre il figliuolo ch 'egli gradisce.
13Gelukkig de mens, die wijsheid verkreeg, De man die inzicht bekwam;
13Beato l'uomo che ha trovata sapienza, E l'uomo che ha ottenuto intendimento.
14Want haar voordelen zijn groter dan die van zilver, Wat zij opbrengt is beter dan goud.
14Perciocchè il traffico di essa è migliore che il traffico dell'argento, E la sua rendita è migliore che l'oro.
15Zij is meer waard dan juwelen; Geen van uw kostbaarheden komt haar nabij!
15Ella è più preziosa che le perle; E tutto ciò che tu hai di più caro non la pareggia.
16Met de rechterhand schenkt ze lengte van dagen, Met de linker rijkdom en aanzien.
16Lunghezza di giorni è alla sua destra; Ricchezza e gloria alla sua sinistra.
17Haar wegen zijn liefelijke wegen, Al haar paden leiden tot vrede;
17Le sue vie son vie dilettevoli, E tutti i suoi sentieri sono pace.
18Zij is een boom des levens voor wie haar vatten, En wie haar vasthoudt, is zalig te prijzen!
18Ella è un albero di vita a quelli che si appigliano ad essa; E beati coloro che la ritengono.
19Met wijsheid heeft Jahweh de aarde gegrond, Met inzicht de hemel gewelfd;
19Il Signore ha fondata la terra con sapienza; Egli ha stabiliti i cieli con intendimento.
20Naar zijn kennis rollen de zeeën aan, En druppelen de wolken van dauw.
20Per lo suo conoscimento gli abissi furono fessi, E l'aria stilla la rugiada.
21Mijn zoon, verlies ze dus niet uit het oog, Maar doe alles met beleid en verstand;
21Figliuol mio, non dipartansi giammai queste cose dagli occhi tuoi; Guarda la ragione e l'avvedimento;
22Laat ze het leven zijn voor uw ziel, Een sieraad voor uw hals.
22E quelle saranno vita all'anima tua, E grazia alla tua gola.
23Dan zult ge veilig uw weg bewandelen, En zult ge uw voeten niet stoten;
23Allora camminerai sicuramente per la tua via, Ed il tuo piè non incapperà.
24Dan behoeft ge niet te vrezen, als ge u neerlegt, Kunt ge rustig sluimeren, als ge wilt slapen.
24Quando tu giacerai, non avrai spavento; E quando tu ti riposerai, il tuo sonno sarà dolce.
25Dan behoeft ge niet te vrezen, voor wat de dommen verschrikt, Of als het onweer komt, dat de bozen overvalt;
25Tu non temerai di subito spavento, Nè della ruina degli empi, quando ella avverrà.
26Want Jahweh zal zijn op al uw wegen, Uw voet behoeden voor de strik.
26Perciocchè il Signore sarà al tuo fianco, E guarderà il tuo piè, che non sia preso.
27Weiger het goede niet, aan wien het toekomt, Zolang het in uw macht is, het te doen.
27Non negare il bene a quelli a cui è dovuto, Quando è in tuo potere di far lo .
28Zeg niet tot uw naaste: “Ga heen en kom nog eens terug”; Of “Mórgen krijgt ge iets”, terwijl ge het nú hebt!
28Non dire al tuo prossimo: Va', e torna, E domani te lo darò, se tu l 'hai appo te.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, Terwijl hij, niets duchtend, bij u verblijft;
29Non macchinare alcun male contro al tuo prossimo Che abita in sicurtà teco.
30Zoek geen twist met iemand om niets, Als hij u geen kwaad heeft gedaan.
30Non litigar con alcuno senza cagione, S'egli non ti ha fatto alcun torto.
31Wees niet jaloers op een tyran, Laat geen zijner wegen u gevallen;
31Non portare invidia all'uomo violento, E non eleggere alcuna delle sue vie.
32Want Jahweh heeft een afschuw van den zondaar, Maar met de rechtvaardigen gaat Hij vertrouwelijk om.
32Perciocchè l' uomo perverso è cosa abbominevole al Signore; Ma egli comunica il suo consiglio con gli uomini diritti.
33De vloek van Jahweh rust op het huis van den boze, Zijn zegen op de woning der rechtvaardigen;
33La maledizione del Signore è nella casa dell'empio; Ma egli benedirà la stanza de' giusti.
34Met spotters drijft Hij de spot, Maar aan de nederigen schenkt hij genade.
34Se egli schernisce gli schernitori, Dà altresì grazia agli umili.
35Wijzen zullen achting verwerven, Dwazen schande verkrijgen!
35I savi possederanno la gloria; Ma gli stolti se ne portano ignominia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.