Spreuken
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Wie op tucht gesteld is, is op kennis gesteld; Wie geen vermaning kan velen, is als redeloos vee.
1Chi ama la correzione ama la scienza; Ma chi odia la riprensione è insensato.
2De deugdzame geniet het welbehagen van Jahweh, Doortrapte mensen veroordeelt Hij.
2L'uomo da bene ottiene benevolenza dal Signore; Ma egli condannerà l'uomo malizioso.
3Door misdaad houdt de mens geen stand, Maar de wortel der rechtvaardigen is onwrikbaar.
3L'uomo non sarà stabilito per empietà; E la radice de' giusti non sarà smossa.
4Een flinke vrouw is de kroon van haar man; Een die zich misdraagt, een kanker in zijn gebeente.
4La donna di valore è la corona del suo marito; Ma quella che reca vituperio gli è come un tarlo nelle ossa.
5Wat rechtvaardigen overleggen is recht, Wat bozen uitdenken bedrog.
5I pensieri de' giusti son dirittura; Ma i consigli degli empi son frode.
6In de woorden der bozen loert levensgevaar, Maar de mond der vromen brengt redding.
6La parole degli empi tendono ad insidiare al sangue; Ma la bocca degli uomini diritti li riscoterà.
7De bozen worden omvergeworpen, en ze zijn er niet meer; Het huis der rechtvaardigen houdt stand.
7In un voltar degli empi, essi non saranno più ; Ma la casa de' giusti starà in piè.
8Naar de mate van zijn doorzicht wordt men geprezen, Maar een nar is niet in tel.
8L'uomo sarà lodato secondo il suo senno; Ma chi è stravolto d'animo sarà in isprezzo.
9Beter onderschat te worden en over een knecht beschikken, Dan voornaam te doen en broodgebrek hebben.
9Meglio è colui del quale non si fa stima, e pure ha un servitore, Che colui che fa il borioso, ed ha mancamento di pane.
10De rechtvaardige kent de noden zelfs van zijn vee, Maar het hart der bozen is zonder erbarmen.
10L'uomo giusto ha cura della vita della sua bestia; Ma le viscere degli empi son crudeli.
11Wie zijn akker bebouwt, heeft eten genoeg; Maar wie zijn tijd verbeuzelt, lijdt gebrek.
11Chi lavora la sua terra sarà saziato di pane; Ma chi va dietro agli uomini oziosi è scemo d'intelletto.
12De burcht der bozen stort in puin, De wortel der rechtvaardigen is onwrikbaar.
12L'empio appetisce la rete de' malvagi; Ma la radice de' giusti mette fuori.
13Door zijn tong te misbruiken loopt de boze in de val, Maar de rechtvaardige ontkomt uit de benauwdheid.
13Il laccio del malvagio è nella dislealtà delle labbra; Ma il giusto uscirà di distretta.
14Wat van iemands lippen komt, wordt hem rijkelijk vergolden; En wat iemands handen doen, valt terug op hemzelf.
14L'uomo sarà saziato di beni per lo frutto della sua bocca; E Dio renderà all'uomo la retribuzione dell'opere delle sue mani.
15De dwaze houdt zijn weg voor recht; Alleen wie naar raad luistert, is wijs.
15La via dello stolto è diritta al suo parere; Ma chi ascolta consiglio è savio.
16Een dwaas laat ogenblikkelijk zijn woede blijken, Wijs is hij, die een belediging doodzwijgt.
16Il cruccio dello stolto è conosciuto lo stesso giorno; Ma l'avveduto copre il vituperio.
17Wie waarheid spreekt, verbreidt recht; Maar een valse getuige pleegt bedrog.
17Chi parla verità rapporta il giusto; Ma il falso testimonio rapporta frode.
18Sommigen laten zich woorden ontvallen als dolkstoten, Maar de tong der wijzen verzacht.
18Ei vi è tale che pronunzia parole simile a coltellate; Ma la lingua de' savi è medicina.
19Het woord der waarheid houdt eeuwig stand, Een leugentong slechts een ogenblik.
19Il labbro verace sarà stabile in perpetuo; Ma la lingua bugiarda sarà sol per un momento.
20Ontgoocheling is het lot van wie kwaad beramen; Maar bij hen, die heilzame raad geven, heerst vreugde.
20Inganno è nel cuor di coloro che macchinano del male; Ma vi è allegrezza per quelli che consigliano pace.
21Geen kwaad zal den rechtvaardige treffen, Maar de bozen worden door het ongeluk achtervolgd.
21Niuna molestia avverrà al giusto; Ma gli empi saranno ripieni di male.
22Jahweh heeft een afschuw van leugentaal, Maar welbehagen in hen, die de waarheid betrachten.
22Le labbra bugiarde son cosa abbominevole al Signore; Ma coloro che operano in verità son graditi da lui.
23Een wijze houdt zijn wetenschap voor zich, Een dwaas loopt met zijn domheid te koop.
23L'uomo avveduto copre la scienza; Ma il cuor degli stolti pubblica la follia.
24De hand der vlijtigen zal regeren, Vadsigheid leidt tot slavernij.
24La mano de' diligenti signoreggerà; Ma la pigra sarà tributaria.
25Kommer in het hart maakt een mens neerslachtig, Een goed woord fleurt hem weer op.
25Il cordoglio nel cuor dell'uomo l'abbatte; Ma la buona parola lo rallegra.
26Een rechtvaardige vindt zijn weide wel, Maar de weg der bozen voert hen op een dwaalspoor.
26Il giusto abbonda in beni più che il suo prossimo; Ma la via degli empi li fa andare errando.
27Een vadsig mens zal geen wild verschalken, Een ijverig mens verwerft een kostbaar bezit.
27Il pigro non arrostisce la sua cacciagione; Ma i beni dell'uomo diligente sono preziosi.
28Op de weg der deugd is leven, Het pad der boosheid leidt naar de dood.
28Nella via della giustizia vi è vita; E nel cammino de' suoi sentieri non vi è morte.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.