Spreuken 30
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Woorden van Agoer, den zoon van Jake, uit Massa De mens spreekt: Ik heb mij afgemat, o God; Ik heb mij afgemat, o God; ik ben op!
1Le parole di Agur, figliuolo d'Iache; il sermone profetico che quell'uomo pronunziò ad Itiel; ad Itiel, e ad Ucal.
2Ik ben de domste van alle mensen, Ik bezit geen mensenverstand;
2CERTO io son troppo idiota, per esser gran personaggio; E non ho pur l'intendimento d'un uomo volgare;
3Maar God heeft mij wijsheid geleerd Nu bezit ik kennis van den Heilige!
3E non ho imparata sapienza; Ma io so la scienza de' santi.
4Wie steeg ten hemel op, en daalde weer neer; Wie ving de wind in zijn holle hand; Wie bond het water in zijn mantel; Wie stelde de grenzen der aarde vast? Hoe is zijn naam, hoe de naam van zijn zoon? Zeg het mij, wanneer ge het weet.
4Chi è salito in cielo, e n'è disceso? Chi ha raccolto il vento nelle sue pugna? Chi ha serrate le acque nella sua vesta? Chi ha posti tutti i confini della terra? Quale è il suo nome, o quale è il nome del suo figliuolo, Se tu il sai?
5Elk woord van God is vertrouwd; Hij is een schild, voor wie op Hem bouwen.
5Ogni parola di Dio è purgata col fuoco; Egli è scudo a coloro che sperano in lui.
6Voeg aan zijn woorden niets toe, Anders berispt Hij u, en blijkt ge een leugenaar.
6Non aggiungere alle sue parole; Che talora egli non ti arguisca, e che tu non sii trovato bugiardo.
7Twee dingen wil ik van U vragen, Weiger mij die niet, eer ik sterf:
7Io ti ho chieste due cose, o Dio ; Non rifiutarme le avanti che io muoia:
8Onwaarheid en leugentaal, Houd ze verre van mij! Geef mij armoede noch rijkdom, Maar schenk mij het voedsel, dat ik nodig heb,
8Allontana da me vanità e parole di bugia; Non mandarmi povertà, nè ricchezze; Cibami del mio pane quotidiano;
9Opdat ik U in mijn overvloed niet verloochene En zeggen durf: “Wie is Jahweh!” Of in mijn armoede niet tot stelen kom, En mij vergrijp aan de Naam van mijn God.
9Che talora io non mi satolli, e ti rinneghi, E dica: Chi è il Signore? Che talora altresì io non impoverisca, e rubi, Ed usi indegnamente il Nome dell'Iddio mio.
10Belaster een knecht niet bij zijn meester; Anders vloekt hij u, en boet gij ervoor.
10Non dir male del servo appo il suo padrone; Che talora egli non ti maledica, e tu ti renda colpevole.
11Wee het geslacht, dat zijn vader vloekt, En zijn moeder niet eert;
11Vi è una generazione d'uomini che maledice suo padre; E non benedice sua madre.
12Het geslacht, dat zich onschuldig waant, Maar niet eens is schoongewassen van zijn vuil;
12Vi è una generazione d'uomini che si reputa netta, E non è lavata della sua lordura.
13Het geslacht dat uit de hoogte neerziet, En de wenkbrauwen optrekt;
13Vi è una generazione d'uomini che ha gli occhi grandemente elevati, E le palpebre alzate.
14Het geslacht, met tanden als zwaarden En kiezen als messen, Om den arme van de aarde weg te vreten, En den behoeftige weg van zijn grond.
14Vi è una generazione d'uomini i cui denti sono spade, Ed i mascellari coltelli, Per divorare i poveri d'in su la terra, Ed i bisognosi d'infra gli uomini.
15De bloedzuiger heeft twee dochters, Ze heten: Hap, hap! Drie dingen zijn niet te verzadigen; Vier dingen zeggen nimmer: genoeg!
15La mignatta ha due figliuole, che dicono: Apporta, apporta. Queste tre cose non si saziano giammai; Anzi queste quattro non dicono giammai: Basta!
16De onderwereld, De onvruchtbare moederschoot, Het land, dat water te kort komt, Het vuur, dat nooit “genoeg” zegt.
16Il sepolcro, la matrice sterile, La terra che non si sazia giammai d'acqua, E il fuoco, che giammai non dice: Basta!
17Een oog, dat met vader spot, En met de gehoorzaamheid aan moeder lacht: De raven van het dal zullen het uitpikken, De jonge arenden het opvreten.
17I corvi del torrente trarranno, E i figli dell'aquila mangeranno gli occhi Di chi beffa suo padre, E sprezza di ubbidire a sua madre.
18Drie dingen zijn mij te wonderlijk, Vier dingen begrijp ik niet:
18Queste tre cose mi sono occulte; Anzi , io non conosco queste quattro:
19De weg van een arend door de lucht, De weg van een slang over de rots, De weg van een schip midden door zee, En de weg van een man naar een meisje.
19La traccia dell'aquila nell'aria, La traccia del serpente sopra il sasso, La traccia della nave in mezzo del mare, La traccia dell'uomo nella giovane.
20Maar dit is de weg van een overspelige vrouw: Ze eet, veegt zich de mond af, En zegt: Ik heb geen kwaad gedaan.
20Tale è il procedere della donna adultera; Ella mangia, e si frega la bocca, E dice: Io non ho commessa alcuna iniquità.
21Onder drie dingen beeft de aarde, Onder vier dingen houdt ze het niet uit:
21Per tre cose la terra trema; Anzi per quattro, ch 'ella non può comportare:
22Onder een slaaf, wanneer hij koning wordt; Onder een dwaas, als hij genoeg te eten heeft;
22Per lo servo, quando regna; E per l'uomo stolto, quando è satollo di pane;
23Onder een oude vrijster, die nog een man vindt; En onder een slavin, die haar meesteres verdringt
23Per la donna odiosa, quando si marita; E per la serva, quando è erede della sua padrona.
24Vier dingen zijn de kleinste op aarde; Toch zijn ze wijzen te slim af!
24Queste quattro cose son delle più piccole della terra, E pur son savie, e molto avvedute:
25De mieren: het is een volk zonder kracht, Maar ‘s zomers vergaart het zijn voedsel;
25Le formiche, che sono un popolo senza forze, E pure apparecchiano di state il lor cibo;
26De klipdassen: het zijn zwakke dieren, Maar ze hebben hun hol in de rots;
26I conigli, che sono un popolo senza potenza, E pur fanno i lor ricetti nelle roccie;
27De sprinkhanen: ze hebben geen koning, Maar hun zwerm trekt ordelijk uit;
27Le locuste, che non hanno re, E pure escono fuori tutte a stormo, divise per ischiere;
28Een hagedis: ze laat zich met de handen vatten, Maar ze woont in de paleizen des konings.
28Il ramarro, che si aggrappa con le mani, Ed è ne' palazzi dei re.
29Drie dingen hebben een statige tred; Vier dingen hebben een statige gang:
29Queste tre cose hanno un bel passo; Anzi queste quattro hanno una bella andatura:
30Een leeuw, de held onder de dieren, Voor niets schrikt hij terug;
30Il leone, la più forte delle bestie, Che non si volge indietro per tema di alcuno;
31Een haan, die trots voor de kippen uitloopt; Een bok, die de geiten voorafgaat; Een koning aan het hoofd van zijn troepen.
31Il gallo compresso di fianchi, e il becco, E il re, appresso al quale niuno può levare il capo .
32Moogt ge dwaas zijn of verstandig: Als ge u verheffen wilt, hand op de mond!
32Se tu hai fatto qualche follia, innalzandoti; Ovvero, se hai divisato alcun male, mettiti la mano in su la bocca.
33Want een druk op melk geeft boter, Een druk op de neus geeft bloed, Een druk op de gramschap geeft twist!
33Perciocchè, come chi rimena il latte ne fa uscir del burro; E chi stringe il naso, ne fa uscir del sangue; Così ancora chi preme l'ira ne fa uscir contesa.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.