Spreuken
Chapter 30
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Woorden van Agoer, den zoon van Jake, uit Massa De mens spreekt: Ik heb mij afgemat, o God; Ik heb mij afgemat, o God; ik ben op!
1PALABRAS de Agur, hijo de Jachê: La profecía que dijo el varón á Ithiel, á Ithiel y á Ucal.
2Ik ben de domste van alle mensen, Ik bezit geen mensenverstand;
2Ciertamente más rudo soy yo que ninguno, ni tengo entendimiento de hombre.
3Maar God heeft mij wijsheid geleerd Nu bezit ik kennis van den Heilige!
3Yo ni aprendí sabiduría, ni conozco la ciencia del Santo.
4Wie steeg ten hemel op, en daalde weer neer; Wie ving de wind in zijn holle hand; Wie bond het water in zijn mantel; Wie stelde de grenzen der aarde vast? Hoe is zijn naam, hoe de naam van zijn zoon? Zeg het mij, wanneer ge het weet.
4¿Quién subió al cielo, y descendió? ¿quién encerró los vientos en sus puños? ¿quién ató las aguas en un paño? ¿quién afirmó todos los términos de la tierra? ¿cuál es su nombre, y el nombre de su hijo, si sabes?
5Elk woord van God is vertrouwd; Hij is een schild, voor wie op Hem bouwen.
5Toda palabra de Dios es limpia; es escudo á los que en él esperan.
6Voeg aan zijn woorden niets toe, Anders berispt Hij u, en blijkt ge een leugenaar.
6No añadas á sus palabras, porque no te reprenda, y seas hallado mentiroso.
7Twee dingen wil ik van U vragen, Weiger mij die niet, eer ik sterf:
7Dos cosas te he demandado; no me las niegues antes que muera.
8Onwaarheid en leugentaal, Houd ze verre van mij! Geef mij armoede noch rijkdom, Maar schenk mij het voedsel, dat ik nodig heb,
8Vanidad y palabra mentirosa aparta de mí. No me des pobreza ni riquezas; manténme del pan que he menester;
9Opdat ik U in mijn overvloed niet verloochene En zeggen durf: “Wie is Jahweh!” Of in mijn armoede niet tot stelen kom, En mij vergrijp aan de Naam van mijn God.
9No sea que me harte, y te niegue, y diga, ¿Quién es Jehová? ó no sea que siendo pobre, hurte, y blasfeme el nombre de mi Dios.
10Belaster een knecht niet bij zijn meester; Anders vloekt hij u, en boet gij ervoor.
10No acuses al siervo ante su señor, porque no te maldiga, y peques.
11Wee het geslacht, dat zijn vader vloekt, En zijn moeder niet eert;
11Hay generación que maldice á su padre, y á su madre no bendice.
12Het geslacht, dat zich onschuldig waant, Maar niet eens is schoongewassen van zijn vuil;
12Hay generación limpia en su opinión, si bien no se ha limpiado su inmundicia.
13Het geslacht dat uit de hoogte neerziet, En de wenkbrauwen optrekt;
13Hay generación cuyos ojos son altivos, y cuyos párpados son alzados.
14Het geslacht, met tanden als zwaarden En kiezen als messen, Om den arme van de aarde weg te vreten, En den behoeftige weg van zijn grond.
14Hay generación cuyos dientes son espadas, y sus muelas cuchillos, para devorar á los pobres de la tierra, y de entre los hombres á los menesterosos.
15De bloedzuiger heeft twee dochters, Ze heten: Hap, hap! Drie dingen zijn niet te verzadigen; Vier dingen zeggen nimmer: genoeg!
15La sanguijuela tiene dos hijas que se llaman , Trae, trae. Tres cosas hay que nunca se hartan; aun la cuarta nunca dice, Basta:
16De onderwereld, De onvruchtbare moederschoot, Het land, dat water te kort komt, Het vuur, dat nooit “genoeg” zegt.
16El sepulcro, y la matriz estéril, la tierra no harta de aguas, y el fuego que jamás dice, Basta.
17Een oog, dat met vader spot, En met de gehoorzaamheid aan moeder lacht: De raven van het dal zullen het uitpikken, De jonge arenden het opvreten.
17El ojo que escarnece á su padre, y menosprecia la enseñanza de la madre, los cuervos lo saquen de la arroyada, y tráguenlo los hijos del águila.
18Drie dingen zijn mij te wonderlijk, Vier dingen begrijp ik niet:
18Tres cosas me son ocultas; aun tampoco sé la cuarta:
19De weg van een arend door de lucht, De weg van een slang over de rots, De weg van een schip midden door zee, En de weg van een man naar een meisje.
19El rastro del águila en el aire; el rastro de la culebra sobre la peña; el rastro de la nave en medio de la mar; y el rastro del hombre en la moza.
20Maar dit is de weg van een overspelige vrouw: Ze eet, veegt zich de mond af, En zegt: Ik heb geen kwaad gedaan.
20Tal es el rastro de la mujer adúltera: come, y limpia su boca, y dice: No he hecho maldad.
21Onder drie dingen beeft de aarde, Onder vier dingen houdt ze het niet uit:
21Por tres cosas se alborota la tierra, y la cuarta no puede sufrir:
22Onder een slaaf, wanneer hij koning wordt; Onder een dwaas, als hij genoeg te eten heeft;
22Por el siervo cuando reinare; y por el necio cuando se hartare de pan;
23Onder een oude vrijster, die nog een man vindt; En onder een slavin, die haar meesteres verdringt
23Por la aborrecida cuando se casare; y por la sierva cuando heredare á su señora.
24Vier dingen zijn de kleinste op aarde; Toch zijn ze wijzen te slim af!
24Cuatro cosas son de las más pequeñas de la tierra, y las mismas son más sabias que los sabios:
25De mieren: het is een volk zonder kracht, Maar ‘s zomers vergaart het zijn voedsel;
25Las hormigas, pueblo no fuerte, y en el verano preparan su comida;
26De klipdassen: het zijn zwakke dieren, Maar ze hebben hun hol in de rots;
26Los conejos, pueblo nada esforzado, y ponen su casa en la piedra;
27De sprinkhanen: ze hebben geen koning, Maar hun zwerm trekt ordelijk uit;
27Las langostas, no tienen rey, y salen todas acuadrilladas;
28Een hagedis: ze laat zich met de handen vatten, Maar ze woont in de paleizen des konings.
28La araña, ase con las manos, y está en palacios de rey.
29Drie dingen hebben een statige tred; Vier dingen hebben een statige gang:
29Tres cosas hay de hermoso andar, y la cuarta pasea muy bien:
30Een leeuw, de held onder de dieren, Voor niets schrikt hij terug;
30El león, fuerte entre todos los animales, que no torna atrás por nadie;
31Een haan, die trots voor de kippen uitloopt; Een bok, die de geiten voorafgaat; Een koning aan het hoofd van zijn troepen.
31El lebrel ceñido de lomos; asimismo el macho cabrío; y un rey contra el cual ninguno se levanta.
32Moogt ge dwaas zijn of verstandig: Als ge u verheffen wilt, hand op de mond!
32Si caiste, fué porque te enalteciste; y si mal pensaste, pon el dedo sobre la boca.
33Want een druk op melk geeft boter, Een druk op de neus geeft bloed, Een druk op de gramschap geeft twist!
33Ciertamente el que exprime la leche, sacará manteca; y el que recio se suena las narices, sacará sangre: y el que provoca la ira, causará contienda.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.