Spreuken
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Spreuken van Salomon. Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader; Een kind, dat niet oppast, bezorgt zijn moeder verdriet.
1Las sentencias de Salomón. EL hijo sabio alegra al padre; y el hijo necio es tristeza de su madre.
2Oneerlijk verkregen rijkdom zal niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt uit de dood.
2Los tesoros de maldad no serán de provecho: mas la justicia libra de muerte.
3Jahweh zal een rechtvaardige geen honger doen lijden, Maar de begeerlijkheid der bozen wijst Hij af.
3Jehová no dejará hambrear el alma del justo: mas la iniquidad lanzará á los impíos.
4Een vadsige hand kweekt armoe, De hand der vlijtigen maakt rijk.
4La mano negligente hace pobre: mas la mano de los diligentes enriquece.
5Wie in de zomer voorraad opdoet, is wijs; Wie in de oogsttijd slaapt, wordt beschaamd.
5El que recoge en el estío es hombre entendido: el que duerme en el tiempo de la siega es hombre afrentoso.
6Zegen rust op het hoofd van den rechtvaardige, Maar geweld zal het gezicht der bozen bedekken
6Bendiciones sobre la cabeza del justo: mas violencia cubrirá la boca de los impíos.
7De nagedachtenis van den rechtvaardige wordt gezegend, De naam der bozen vervloekt.
7La memoria del justo será bendita: mas el nombre de los impíos se pudrirá.
8Wie wijs is van harte, neemt voorschriften aan; Wie dwaze dingen zegt, komt ten val.
8El sabio de corazón recibirá los mandamientos: mas el loco de labios caerá.
9Hij gaat veilig, die onberispelijk wandelt; Maar wie zich op dwaalwegen waagt, wordt betrapt.
9El que camina en integridad, anda confiado: mas el que pervierte sus caminos, será quebrantado.
10Wie een oogje toedoet, veroorzaakt droefheid; Wie vrijmoedig terechtwijst, sticht vrede.
10El que guiña del ojo acarrea tristeza; y el loco de labios será castigado.
11Een bron van leven is de mond van den rechtvaardige, De mond der bozen verbergt geweld.
11Vena de vida es la boca del justo: mas violencia cubrirá la boca de los impíos.
12De haat verwekt twist, Maar de liefde bedekt alle overtredingen.
12El odio despierta rencillas: mas la caridad cubrirá todas las faltas.
13Op de lippen van een wijze vindt men wijsheid, Op de rug van een onverstandig mens dient de stok.
13En los labios del prudente se halla sabiduría: y vara á las espaldas del falto de cordura.
14Wijzen houden de kennis voor zich, Maar de mond van een dwaas is een dreigend onheil.
14Los sabios guardan la sabiduría: mas la boca del loco es calamidad cercana.
15Het bezit is voor den rijke een sterke burcht, De armoede voor de behoeftigen een ongeluk.
15Las riquezas del rico son su ciudad fuerte; y el desmayo de los pobres es su pobreza.
16Wat een rechtvaardige verdient, strekt ten leven; Maar de winst van een boze tot zonde.
16La obra del justo es para vida; mas el fruto del impío es para pecado.
17Wie de tucht in ere houdt, betreedt de weg ten leven; Wie vermaningen in de wind slaat, verdwaalt.
17Camino á la vida es guardar la corrección: mas el que deja la reprensión, yerra.
18Eerlijke lippen houden hatelijkheden binnen; Wie lasterpraatjes verspreidt, is een dwaas.
18El que encubre el odio es de labios mentirosos; y el que echa mala fama es necio.
19In een vloed van woorden wordt licht een fout begaan; Wijs dus hij, die zijn lippen opeenknijpt!
19En las muchas palabras no falta pecado: mas el que refrena sus labios es prudente.
20Het fijnste zilver is de tong van een rechtvaardige, Het hart der bozen is weinig waard.
20Plata escogida es la lengua del justo: mas el entendimiento de los impíos es como nada.
21De lippen van een rechtvaardige kunnen velen leiden, Maar de bozen gaan aan hun onverstand dood.
21Los labios del justo apacientan á muchos: mas los necios por falta de entendimiento mueren.
22Het is de zegen van Jahweh, die rijk maakt; Eigen beslommering voegt er niets aan toe.
22La bendición de Jehová es la que enriquece, y no añade tristeza con ella.
23Voor den dwaze is kwaaddoen een genot, Voor een man van inzicht het betrachten van wijsheid.
23Hacer abominación es como risa al insensato: mas el hombre entendido sabe.
24Wat de boze ducht, dat overkomt hem; Wat een rechtvaardige verlangt, wordt hem geschonken.
24Lo que el impío teme, eso le vendrá: mas á los justos les será dado lo que desean.
25Steekt er een storm op, dan is de boze verdwenen; Maar de rechtvaardige staat blijvend vast.
25Como pasa el torbellino, así el malo no permanece: mas el justo, fundado para siempre.
26Azijn voor de tanden en rook voor de ogen, Dàt is de luiaard voor wie hem een boodschap laat doen.
26Como el vinagre á los dientes, y como el humo á los ojos, así es el perezoso á los que lo envían.
27Het ontzag voor Jahweh verlengt het leven, Maar de jaren der bozen zijn kort.
27El temor de Jehová aumentará los días: mas los años de los impíos serán acortados.
28De hoop der rechtvaardigen eindigt in vreugde, De verwachting der bozen loopt uit op niets.
28La esperanza de los justos es alegría; mas la esperanza de los impíos perecerá.
29Jahweh is een steun voor wie onberispelijk wandelen, Maar een verschrikking voor allen, die kwaad doen.
29Fortaleza es al perfecto el camino de Jehová: mas espanto es á los que obran maldad.
30De rechtvaardige zal in der eeuwigheid niet wankelen, De bozen zullen de aarde niet blijven bewonen.
30El justo eternalmente no será removido: mas los impíos no habitarán la tierra.
31De mond van een rechtvaardige brengt wijsheid voort, Maar een sluwe tong wordt uitgerukt.
31La boca del justo producirá sabiduría: mas la lengua perversa será cortada.
32De lippen van een rechtvaardige weten wat welgevallig is, Maar de mond der bozen heeft slinkse streken.
32Los labios del justo conocerán lo que agrada: mas la boca de los impíos habla perversidades.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.