Spreuken 28
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1De boze vlucht, ook al wordt hij niet vervolgd; De rechtvaardige voelt zich veilig als een leeuw.
1HUYE el impío sin que nadie lo persiga: mas el justo está confiado como un leoncillo.
2De misdaad van tyrannen doet twisten ontstaan; Door een verstandig man worden ze bijgelegd
2Por la rebelión de la tierra sus príncipes son muchos: mas por el hombre entendido y sabio permanecerá sin mutación.
3Een man, die rijk is, maar de armen verdrukt, Is een regen, die wegspoelt, geen brood geeft.
3El hombre pobre y robador de los pobres, es lluvia de avenida y sin pan.
4Die om de wet niet geven, prijzen den boze; Die de wet onderhouden, zijn kwaad op hem.
4Los que dejan la ley, alaban á los impíos: mas los que la guardan, contenderán con ellos.
5Slechte mensen verstaan geen recht, Maar die Jahweh zoeken begrijpen alles.
5Los hombres malos no entienden el juicio: mas los que buscan á Jehová, entienden todas las cosas.
6Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
6Mejor es el pobre que camina en su integridad, que el de perversos caminos, y rico.
7Het kind, dat de Wet onderhoudt, is verstandig; Maar gaat het om met verkwisters, het maakt zijn vader beschaamd.
7El que guarda la ley es hijo prudente: mas el que es compañero de glotones, avergüenza á su padre.
8Wie zijn bezit vermeerdert met rente en toeslag, Spaart het op voor hem, die goed is voor de armen.
8El que aumenta sus riquezas con usura y crecido interés, para que se dé á los pobres lo allega.
9Wie weigert, naar de Wet te luisteren, Is een gruwel, zelfs als hij bidt.
9El que aparta su oído para no oir la ley, su oración también es abominable.
10Wie brave mensen op het slechte pad brengt, Valt zelf in zijn eigen kuil. Deugdzamen zullen het goede verwerven
10El que hace errar á los rectos por el mal camino, él caerá en su misma sima: mas los perfectos heredarán el bien.
11Een rijkaard denkt, dat hij wijs is; Een arme, maar verstandige drommel doorziet hem.
11El hombre rico es sabio en su opinión: mas el pobre entendido lo examinará.
12Als de rechtvaardigen juichen, is de welvaart groot; Krijgen bozen de macht, dan zijn de mensen zoek.
12Cuando los justos se alegran, grande es la gloria; mas cuando los impíos son levantados, es buscado el hombre.
13Wie zijn zonden verheimelijkt, zal geen voorspoed hebben; Wie ze belijdt en laat varen, zal vergiffenis krijgen.
13El que encubre sus pecados, no prosperará: mas el que los confiesa y se aparta, alcanzará misericordia.
14Gelukkig de mens, die altijd angstvallig is; Wie zijn hart afstompt, valt in het kwaad.
14Bienaventurado el hombre que siempre está temeroso: mas el que endurece su corazón, caerá en mal.
15Een brullende leeuw en een roofzuchtige beer: Dat is een goddeloos heerser over een behoeftig volk.
15León rugiente y oso hambriento, es el príncipe impío sobre el pueblo pobre.
16Een kortzichtig vorst maakt zich aan veel afpersing schuldig; Haat hij oneerlijke winst, dan leeft hij lang.
16El príncipe falto de entendimiento multiplicará los agravios: mas el que aborrece la avaricia, prolongará sus días.
17Een mens, die bezwaard is door bloedschuld, Moet tot het graf een vluchteling blijven, door niemand geholpen.
17El hombre que hace violencia con sangre de persona, huirá hasta el sepulcro, y nadie le detendrá.
18Wie onberispelijk wandelt, wordt gered; Wie verkeerde wegen gaat, valt in een kuil.
18El que en integridad camina, será salvo; mas el de perversos caminos caerá en alguno.
19Wie een akker bebouwt, heeft eten genoeg; Wie zijn tijd verbeuzelt, zit volop in de armoe.
19El que labra su tierra, se hartará de pan: mas el que sigue los ociosos, se hartará de pobreza.
20Een eerlijk mens wordt rijkelijk gezegend; Wie te spoedig rijk wil worden, blijft niet ongestraft.
20El hombre de verdad tendrá muchas bendiciones: mas el que se apresura á enriquecer, no será sin culpa.
21Partijdigheid is altijd verkeerd: Voor een stuk brood kan iemand een misdrijf begaan.
21Tener acepción de personas, no es bueno: hasta por un bocado de pan prevaricará el hombre.
22Een boosaardig mens wil spoedig rijk worden, Niet vermoedend, dat het gebrek hem wacht.
22Apresúrase á ser rico el hombre de mal ojo; y no conoce que le ha de venir pobreza.
23Wie iemand vermaant, oogst later dank, Meer dan iemand met een gladde tong.
23El que reprende al hombre, hallará después mayor gracia que el que lisonjea con la lengua.
24Wie zijn vader en moeder berooft, en zegt: “Het is niet verkeerd”, Is een gezel van den misdadiger.
24El que roba á su padre ó á su madre, y dice que no es maldad, compañero es del hombre destruidor.
25Een hebzuchtig mens stookt ruzie; Wie op Jahweh vertrouwt, heeft het goed.
25El altivo de ánimo suscita contiendas: mas el que en Jehová confía, medrará.
26Wie op zichzelf vertrouwt, is een domoor; Wie in wijsheid wandelt, wordt gered.
26El que confía en su corazón es necio; mas el que camina en sabiduría, será salvo.
27Wie aan een arme geeft, krijgt geen gebrek; Wie zijn ogen voor hem sluit, wordt diep vervloekt.
27El que da al pobre, no tendrá pobreza: mas el que aparta sus ojos, tendrá muchas maldiciones.
28Krijgen bozen de macht, dan bergt zich de mens; Als zij ten onder gaan, worden de rechtvaardigen talrijk.
28Cuando los impíos son levantados, esconderáse el hombre: mas cuando perecen, los justos se multiplican.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.