Spreuken 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Mijn zoon, als ge mijn woorden aanvaardt, En mijn wenken ter harte neemt,
1HIJO mío, si tomares mis palabras, y mis mandamientos guardares dentro de ti,
2Uw oren te luisteren legt naar de wijsheid, Uw aandacht richt op ervaring;
2Haciendo estar atento tu oído á la sabiduría; si inclinares tu corazón á la prudencia;
3Ja, als ge om wijsheid roept, En om inzicht uw stem verheft;
3Si clamares á la inteligencia, y á la prudencia dieres tu voz;
4Als ge er naar streeft als naar geld, En er naar zoekt als naar schatten:
4Si como á la plata la buscares, y la escudriñares como á tesoros;
5Dan zult ge de vreze voor Jahweh begrijpen, Zult ge vinden de kennis van God.
5Entonces entenderás el temor de Jehová, y hallarás el conocimiento de Dios.
6Want Jahweh schenkt wijsheid, Van zijn lippen komen kennis en inzicht;
6Porque Jehová da la sabiduría, y de su boca viene el conocimiento y la inteligencia.
7Hij houdt hulp bereid voor de braven, Is een schild voor mensen van onberispelijke wandel;
7El provee de sólida sabiduría á los rectos: es escudo á los que caminan rectamente.
8Hij beschermt de paden des rechts, En beveiligt de weg van zijn dienaars!
8Es el que guarda las veredas del juicio, y preserva el camino de sus santos.
9Dan zult ge verstaan wat recht is en plicht, Recht vooruit gaan op elk goed pad.
9Entonces entenderás justicia, juicio, y equidad, y todo buen camino.
10Want de wijsheid zal haar intrede doen in uw hart, De kennis zoet zijn voor uw ziel;
10Cuando la sabiduría entrare en tu corazón, y la ciencia fuere dulce á tu alma,
11Het overleg zal over u waken, Het verstand de wacht bij u houden.
11El consejo te guardará, te preservará la inteligencia:
12Zij zullen u behoeden voor de weg van het kwaad, Voor den man, die leugentaal spreekt;
12Para librarte del mal camino, de los hombres que hablan perversidades;
13Voor hen, die het rechte pad hebben verlaten, En wandelen op duistere wegen;
13Que dejan las veredas derechas, por andar en caminos tenebrosos;
14Voor hen, wie de misdaad een vreugde is, En die om boze plannen juichen,
14Que se alegran haciendo mal, que se huelgan en las perversidades del vicio;
15Die kronkelwegen gaan, En afdwalen op hun paden.
15Cuyas veredas son torcidas, y torcidos sus caminos.
16Zij zullen u behoeden voor een vreemde vrouw, Voor een onbekende met haar gladde taal,
16Para librarte de la mujer extraña, de la ajena que halaga con sus palabras;
17Die den vriend van haar jeugd heeft verlaten, Het verbond van haar God heeft vergeten.
17Que desampara el príncipe de su mocedad, y se olvida del pacto de su Dios.
18Want haar pad helt naar de dood, Naar de schimmen leiden haar wegen.
18Por lo cual su casa está inclinada á la muerte, y sus veredas hacia los muertos:
19Wie zich met haar inlaat, keert nooit weerom, Bereikt nimmer de paden des levens!
19Todos los que á ella entraren, no volverán, ni tomarán las veredas de la vida.
20Zo zult ge het pad der braven bewandelen, En de weg der rechtvaardigen houden.
20Para que andes por el camino de los buenos, y guardes las veredas de los justos.
21Want de vromen zullen de aarde bewonen, Alleen de onberispelijken blijven er op;
21Porque los rectos habitarán la tierra, y los perfectos permanecerán en ella;
22Maar de bozen worden van de aarde verdelgd, De afvalligen eruit weggevaagd!
22Mas los impíos serán cortados de la tierra, y los prevaricadores serán de ella desarraigados.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.