Spreuken 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Mijn zoon, als ge mijn woorden aanvaardt, En mijn wenken ter harte neemt,
1[Fili mi, si susceperis sermones meos, et mandata mea absconderis penes te:
2Uw oren te luisteren legt naar de wijsheid, Uw aandacht richt op ervaring;
2ut audiat sapientiam auris tua, inclina cor tuum ad cognoscendam prudentiam.
3Ja, als ge om wijsheid roept, En om inzicht uw stem verheft;
3Si enim sapientiam invocaveris, et inclinaveris cor tuum prudentiæ;
4Als ge er naar streeft als naar geld, En er naar zoekt als naar schatten:
4si quæsieris eam quasi pecuniam, et sicut thesauros effoderis illam:
5Dan zult ge de vreze voor Jahweh begrijpen, Zult ge vinden de kennis van God.
5tunc intelliges timorem Domini, et scientiam Dei invenies,
6Want Jahweh schenkt wijsheid, Van zijn lippen komen kennis en inzicht;
6quia Dominus dat sapientiam, et ex ore ejus prudentia et scientia.
7Hij houdt hulp bereid voor de braven, Is een schild voor mensen van onberispelijke wandel;
7Custodiet rectorum salutem, et proteget gradientes simpliciter,
8Hij beschermt de paden des rechts, En beveiligt de weg van zijn dienaars!
8servans semitas justitiæ, et vias sanctorum custodiens.
9Dan zult ge verstaan wat recht is en plicht, Recht vooruit gaan op elk goed pad.
9Tunc intelliges justitiam, et judicium, et æquitatem, et omnem semitam bonam.]
10Want de wijsheid zal haar intrede doen in uw hart, De kennis zoet zijn voor uw ziel;
10[Si intraverit sapientia cor tuum, et scientia animæ tuæ placuerit,
11Het overleg zal over u waken, Het verstand de wacht bij u houden.
11consilium custodiet te, et prudentia servabit te:
12Zij zullen u behoeden voor de weg van het kwaad, Voor den man, die leugentaal spreekt;
12ut eruaris a via mala, et ab homine qui perversa loquitur;
13Voor hen, die het rechte pad hebben verlaten, En wandelen op duistere wegen;
13qui relinquunt iter rectum, et ambulant per vias tenebrosas;
14Voor hen, wie de misdaad een vreugde is, En die om boze plannen juichen,
14qui lætantur cum malefecerint, et exsultant in rebus pessimis;
15Die kronkelwegen gaan, En afdwalen op hun paden.
15quorum viæ perversæ sunt, et infames gressus eorum.
16Zij zullen u behoeden voor een vreemde vrouw, Voor een onbekende met haar gladde taal,
16Ut eruaris a muliere aliena, et ab extranea quæ mollit sermones suos,
17Die den vriend van haar jeugd heeft verlaten, Het verbond van haar God heeft vergeten.
17et relinquit ducem pubertatis suæ,
18Want haar pad helt naar de dood, Naar de schimmen leiden haar wegen.
18et pacti Dei sui oblita est. Inclinata est enim ad mortem domus ejus, et ad inferos semitæ ipsius.
19Wie zich met haar inlaat, keert nooit weerom, Bereikt nimmer de paden des levens!
19Omnes qui ingrediuntur ad eam non revertentur, nec apprehendent semitas vitæ.
20Zo zult ge het pad der braven bewandelen, En de weg der rechtvaardigen houden.
20Ut ambules in via bona, et calles justorum custodias:
21Want de vromen zullen de aarde bewonen, Alleen de onberispelijken blijven er op;
21qui enim recti sunt habitabunt in terra, et simplices permanebunt in ea;
22Maar de bozen worden van de aarde verdelgd, De afvalligen eruit weggevaagd!
22impii vero de terra perdentur, et qui inique agunt auferentur ex ea.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.