Spreuken
Chapter 8
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Waarachtig, de wijsheid roept, De schranderheid verheft haar stem!
1[Numquid non sapientia clamitat, et prudentia dat vocem suam?
2Zij staat langs de weg op de toppen der hoogten, Op het kruispunt der wegen,
2In summis excelsisque verticibus supra viam, in mediis semitis stans,
3Opzij van de poorten, aan de ingang der stad, Waar men de poorten betreedt, predikt zij luid:
3juxta portas civitatis, in ipsis foribus loquitur, dicens:
4Ik roep tot u, mannen, Ik spreek tot de kinderen der mensen:
4O viri, ad vos clamito, et vox mea ad filios hominum.
5Leert toch, onnozelen, wat schranderheid is, Verstaat toch, dwazen, wat wijsheid betekent!
5Intelligite, parvuli, astutiam, et insipientes, animadvertite.
6Luistert, want wat ik zeg is zeker, Wat over mijn lippen komt is juist;
6Audite, quoniam de rebus magnis locutura sum, et aperientur labia mea ut recta prædicent.
7Mijn mond spreekt de waarheid, Van leugentaal hebben mijn lippen een afschuw.
7Veritatem meditabitur guttur meum, et labia mea detestabuntur impium.
8Al mijn woorden zijn oprecht, Niet één ervan is misleidend of vals;
8Justi sunt omnes sermones mei: non est in eis pravum quid, neque perversum;
9Voor wie ze verstaat, zijn ze allen treffend, Voor wie ze wil begrijpen, allen juist.
9recti sunt intelligentibus, et æqui invenientibus scientiam.
10Neemt liever mijn tucht aan dan zilver, Geeft aan kennis de voorkeur boven het fijnste goud;
10Accipite disciplinam meam, et non pecuniam; doctrinam magis quam aurum eligite:
11Want de wijsheid is meer waard dan juwelen, Geen kostbaarheid komt haar nabij!
11melior est enim sapientia cunctis pretiosissimis, et omne desiderabile ei non potest comparari.]
12Ik, wijsheid, ben met overleg vertrouwd, En beschik over weloverwogen kennis;
12[Ego sapientia, habito in consilio, et eruditis intersum cogitationibus.
13Maar hoogmoed en trots, een slechte levenswandel, En een wispelturige tong zijn een afschuw voor mij.
13Timor Domini odit malum: arrogantiam, et superbiam, et viam pravam, et os bilingue, detestor.
14Ik beschik over raad en beleid, Ik bezit doorzicht en kracht;
14Meum est consilium et æquitas; mea est prudentia, mea est fortitudo.
15Door mij zijn de koningen koning, En bepalen de leiders wat recht is;
15Per me reges regnant, et legum conditores justa decernunt;
16Door mij zijn de vorsten vorst, En zijn alle rechtvaardige rechters in aanzien.
16per me principes imperant, et potentes decernunt justitiam.
17Die mij beminnen heb ik lief, En die mij zoeken, zullen mij vinden.
17Ego diligentes me diligo, et qui mane vigilant ad me, invenient me.
18Ik beschik over rijkdom en aanzien, Over duurzame welvaart en voorspoed;
18Mecum sunt divitiæ et gloria, opes superbæ et justitia.
19Mijn vrucht is meer waard dan het edelste goud, Meer dan het fijnste zilver mijn oogst.
19Melior est enim fructus meus auro et lapide pretioso, et genimina me argento electo.
20Ik wandel op de weg der gerechtigheid, Midden op de paden van het recht:
20In viis justitiæ ambulo, in medio semitarum judicii:
21Om die mij beminnen, met bezit te verrijken, En hun schatkamers te vullen.
21ut ditem diligentes me, et thesauros eorum repleam.]
22Jahweh schiep mij als zijn eerste gewrocht, Als het eerste werk, dat Hij ooit heeft gemaakt;
22[Dominus possedit me in initio viarum suarum antequam quidquam faceret a principio.
23Van oudsher ben ik gevormd, Van den beginne, vóór de eerste tijden der aarde.
23Ab æterno ordinata sum, et ex antiquis antequam terra fieret.
24Toen er nog geen oceanen waren. was ik geboren, Toen er nog geen bronnen, rijk aan water, bestonden;
24Nondum erant abyssi, et ego jam concepta eram: necdum fontes aquarum eruperant,
25Eer de bergen waren neergelaten, Eer de heuvels ontstonden, werd ik geboren,
25necdum montes gravi mole constiterant: ante colles ego parturiebar.
26Eer Hij de aarde had gemaakt en de velden, En alle grondstoffen der wereld.
26Adhuc terram non fecerat, et flumina, et cardines orbis terræ.
27Toen Hij de hemel welfde, was ik aanwezig, Toen Hij een kring trok rond het vlak van de oceaan;
27Quando præparabat cælos, aderam; quando certa lege et gyro vallabat abyssos;
28Toen Hij daarboven de wolken bevestigde, En de bronnen van de oceaan begonnen te stromen;
28quando æthera firmabat sursum, et librabat fontes aquarum;
29Toen Hij de zee haar grenzen stelde, Dat de wateren haar oevers niet zouden overschrijden; Toen Hij de fundamenten der aarde legde:
29quando circumdabat mari terminum suum, et legem ponebat aquis, ne transirent fines suos; quando appendebat fundamenta terræ:
30Was ik bij Hem als een troetelkind, Was ik elke dag zijn vermaak, Dartelde ik heel de tijd onder zijn ogen,
30cum eo eram, cuncta componens. Et delectabar per singulos dies, ludens coram eo omni tempore,
31Spelend op zijn wereldrond, En mij vermakend met de kinderen der mensen.
31ludens in orbe terrarum; et deliciæ meæ esse cum filiis hominum.
32Welnu dan kinderen luistert naar mij; Gelukkig zij, die mijn wegen bewaren;
32Nunc ergo, filii, audite me: beati qui custodiunt vias meas.
33Hoort naar de lessen, weest wijs, en verwerpt ze niet. En de wacht houden aan de posten van mijn poorten.
33Audite disciplinam, et estote sapientes, et nolite abjicere eam.
34Gelukkig de mens, die naar mij luistert, Die elke dag aan mijn deuren waken,
34Beatus homo qui audit me, et qui vigilat ad fores meas quotidie, et observat ad postes ostii mei.
35Wie mij vindt, heeft het leven gevonden, En welbehagen verkregen van Jahweh;
35Qui me invenerit, inveniet vitam, et hauriet salutem a Domino.
36Maar wie mij mist, benadeelt zichzelf, En al wie mij haten, beminnen de dood!
36Qui autem in me peccaverit, lædet animam suam; omnes qui me oderunt diligunt mortem.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.