Spreuken 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Waarachtig, de wijsheid roept, De schranderheid verheft haar stem!
1Чи ж премудрість не покликує, чи розум не знїмає свій голос?
2Zij staat langs de weg op de toppen der hoogten, Op het kruispunt der wegen,
2Вона стає на високих місцях, при дорозї, та на роздорожжях;
3Opzij van de poorten, aan de ingang der stad, Waar men de poorten betreedt, predikt zij luid:
3Вона кличе коло воріт при ввіходї в місто, коло ввіходу в самі двері:
4Ik roep tot u, mannen, Ik spreek tot de kinderen der mensen:
4Люде, се до вас я покликую, до синів чоловічих мій голос!
5Leert toch, onnozelen, wat schranderheid is, Verstaat toch, dwazen, wat wijsheid betekent!
5Навчайтесь, нерозумні, мудростї, і ви, глупі — розуму!
6Luistert, want wat ik zeg is zeker, Wat over mijn lippen komt is juist;
6Слухайте, бо я про важне говорити буду, й сама се правда, що уста мої виповідають.
7Mijn mond spreekt de waarheid, Van leugentaal hebben mijn lippen een afschuw.
7Бо саму правду говорить язик мій, а все, що безбожне, — гидота устам моїм.
8Al mijn woorden zijn oprecht, Niet één ervan is misleidend of vals;
8Всї слова уст моїх справедливі; нема в них облуду анї омани.
9Voor wie ze verstaat, zijn ze allen treffend, Voor wie ze wil begrijpen, allen juist.
9Всї вони ясні тому, хто має розум, і справедливі для тих, що знання набули.
10Neemt liever mijn tucht aan dan zilver, Geeft aan kennis de voorkeur boven het fijnste goud;
10Прийміть мою науку над срібло раднїще, знаннє моє ви цїнуйте над золото щире;
11Want de wijsheid is meer waard dan juwelen, Geen kostbaarheid komt haar nabij!
11Мудрість бо над перли дорожша, й нїчо, що можна бажати, з нею не зрівняєсь.
12Ik, wijsheid, ben met overleg vertrouwd, En beschik over weloverwogen kennis;
12Я, премудрість, пробуваю з розумом і шукаю розважливого знання.
13Maar hoogmoed en trots, een slechte levenswandel, En een wispelturige tong zijn een afschuw voor mij.
13Страх Господень — значить ненавидїти зло; гордощі, високомірність, зла путь і двоязичні уста менї ненависні.
14Ik beschik over raad en beleid, Ik bezit doorzicht en kracht;
14В мене рада й правда, я — розум, у мене сила.
15Door mij zijn de koningen koning, En bepalen de leiders wat recht is;
15Мною й царі царюють і праводавцї встановляють справедливість;
16Door mij zijn de vorsten vorst, En zijn alle rechtvaardige rechters in aanzien.
16Мною правлять князї й вельможні, та всї суддї землї.
17Die mij beminnen heb ik lief, En die mij zoeken, zullen mij vinden.
17Люблю я тих, що мене люблять, і хто мене шукає, той знайде мене.
18Ik beschik over rijkdom en aanzien, Over duurzame welvaart en voorspoed;
18І богацтво й слава в мене, всї блага неминущі й справедливість;
19Mijn vrucht is meer waard dan het edelste goud, Meer dan het fijnste zilver mijn oogst.
19Плоди мої лучші золота — золота найчистїйшого, а хісна з мене більше, як із найдобірнїйшого срібла.
20Ik wandel op de weg der gerechtigheid, Midden op de paden van het recht:
20Я ходжу шляхами правди, правосуду стежками,
21Om die mij beminnen, met bezit te verrijken, En hun schatkamers te vullen.
21Щоб подати тим, хто мене любить, справдешнє добро, й скарбівнї їх я наповнюю.
22Jahweh schiep mij als zijn eerste gewrocht, Als het eerste werk, dat Hij ooit heeft gemaakt;
22Господь мав мене перед розпочатком путей своїх, перш нїж що сотворив, з правіків;
23Van oudsher ben ik gevormd, Van den beginne, vóór de eerste tijden der aarde.
23Од вічностї мене він помазав, від почину, перед настаннєм землї.
24Toen er nog geen oceanen waren. was ik geboren, Toen er nog geen bronnen, rijk aan water, bestonden;
24Я родилась, як ще не було безодень, як ще нїде джерела водою не дзюрчали.
25Eer de bergen waren neergelaten, Eer de heuvels ontstonden, werd ik geboren,
25Родилась, як ще з землї не воздвиглись гори, перше нїж горби постали;
26Eer Hij de aarde had gemaakt en de velden, En alle grondstoffen der wereld.
26Як іще він не сотворив нї землї, нї степу, нї грудок тих, що з них злїпивсь круг земний.
27Toen Hij de hemel welfde, was ik aanwezig, Toen Hij een kring trok rond het vlak van de oceaan;
27Як розпростирав він небо, була я там. Як він закруглював кружало безоднї,
28Toen Hij daarboven de wolken bevestigde, En de bronnen van de oceaan begonnen te stromen;
28Як хмари в горі згущав, як замикав джерела безоднї (надземної),
29Toen Hij de zee haar grenzen stelde, Dat de wateren haar oevers niet zouden overschrijden; Toen Hij de fundamenten der aarde legde:
29Як давав морю приказ, щоб води не переступали гряниць його, як він підвалини землї закладав, —
30Was ik bij Hem als een troetelkind, Was ik elke dag zijn vermaak, Dartelde ik heel de tijd onder zijn ogen,
30Тодї була я при йому строїтелькою, й була його радістю день за днем, веселячись перед ним увесь час,
31Spelend op zijn wereldrond, En mij vermakend met de kinderen der mensen.
31Веселячись на земному крузї його, радість же моя була — дїти людські.
32Welnu dan kinderen luistert naar mij; Gelukkig zij, die mijn wegen bewaren;
32Проте ж, дїти, слухайте мене; й благословенні ті, хто стежок моїх пильнує.
33Hoort naar de lessen, weest wijs, en verwerpt ze niet. En de wacht houden aan de posten van mijn poorten.
33Слухайте науки, й будьте мудрі, та й не одступайте від неї.
34Gelukkig de mens, die naar mij luistert, Die elke dag aan mijn deuren waken,
34Блажен, хто слухає мене, й невсипущо перебуває день-у-день у воріт моїх, та стоїть на сторожі під дверима в мене!
35Wie mij vindt, heeft het leven gevonden, En welbehagen verkregen van Jahweh;
35Бо хто знайшов мене, знайшов життє, й одержить ласку від Господа;
36Maar wie mij mist, benadeelt zichzelf, En al wie mij haten, beminnen de dood!
36Хто ж грішить проти мене, душі своїй той шкодить: всї, що цураються мене, люблять смерть.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.