Spreuken 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Beter een droog stuk brood met vrede erbij, Dan een huis vol feestmaaltijden en twist.
1Шматочок сухаря та мир до його далеко лучше, нїж хата, повна порізаного скоту, з сварнею.
2Een verstandige knecht heeft meer te zeggen dan een ontaarde zoon, En deelt met diens broeders de erfenis.
2Слуга розумний старшує над безумним сином, і між братами він спадок роздїлить.
3De smeltkroes voor het zilver, de oven voor het goud; Maar de harten toetst Jahweh!
3У горнї й в огнї очищаєсь золото й срібло, Господь же витрібовує серця.
4De boosdoener luistert naar zondige taal, De valsaard heeft oor voor heilloze woorden.
4На злющу мову лиш падлюка вважає; лукавий слухає зрадливого навчання.
5Wie een arme bespot, smaadt zijn Schepper; Wie leedvermaak heeft, blijft niet ongestraft.
5Хто вбогого поругає, той творця його зневажає; кого нещастє звеселяє, той не зістанеться безкарен.
6Kleinkinderen zijn de kroon der grijsaards, Vaders de trots van hun kinderen.
6Вінець людей старих — сини синів, унуки, а слава дїтей — родичі їх.
7Als oprechte taal een dwaas niet staat, Past een edelman zeker geen leugentaal.
7Дурному не личить поважная мова, тим меньше значньому уста неправдливі.
8Het geschenk is een toversteen voor wie het geeft; Waarheen hij zich wendt, hij heeft succes.
8Гостинець — се дорогий камінь у того, що вміє ним владати; куди нї обернесь, пощастить йому.
9Wie een misdaad bemantelt, zoekt de vrede te bewaren; Wie de zaak weer ophaalt, brengt onenigheid tussen vrienden.
9Хто провину покриває — любови шукає, хто ж про неї все згадує — друга відвертає.
10Op een verstandig mens maakt één vermaning meer indruk, Dan honderd slagen op een dwaas.
10Розумного докір більше діймає, нїж дурного сто вдарів.
11Een boze zoekt enkel verzet; Daarom stuurt men een wreden bode op hem af.
11Хто бурить — у того тілько лихе на думцї; на його посланий буде ангел без милосердя.
12Beter een berin te ontmoeten, van haar jongen beroofd, Dan een dwaas in zijn dwaasheid.
12Лучше стрітити ведмедицю, що їй дїтей взято, нїж дурного з його дурнотою.
13Als iemand goed met kwaad vergeldt, Zal van zijn huis het kwaad niet wijken.
13Хто за добро платить злом, від того домівки не відойде зло.
14Als ruzie ontstaat, is het hek van de dam; Bind dus in, voor de twist losbarst.
14Почин до сварки — як прірва води; покинь же сварку, нїм ще розгорілась.
15Wie een boosdoener vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt, Zijn beiden een even grote gruwel voor Jahweh.
15Хто грішного правдить і правого винуватить, — оба вони гидота Господеві.
16Waartoe dient geld in de hand van een dwaas, Om wijsheid te kopen, als hij toch geen verstand heeft?
16Про що скарби в руках у дурня? щоб придбати собі мудрість, — на те в його нема ума.
17Een vriend laat altijd zijn genegenheid blijken, In tijd van nood toont hij zich als een broeder.
17Друг любить про всяк час, і, як брат, зявиться він, коли спаде нещастє.
18Hoe kortzichtig de mens, die handslag geeft, En zich borg stelt voor zijn naaste.
18Чоловік малоумний дає руку й ручиться за ближнього свого.
19Wie op ruzie gesteld is, is op zonde gesteld; Wie hooghartig spreekt, zoekt zijn eigen val.
19Хто любить сварку, той любить і гріх; а хто надто високо піднімає ворота свої, шукає упадку.
20Een vals karakter zal geen zegen ondervinden; Wie zijn woorden verdraait, zal in het ongeluk storten.
20Підступне серце не знайде добра, й язик лукавий впадає в біду.
21Wie een domoor verwekt heeft, heeft zich hartzeer bezorgd; De vader van een zot kent geen vreugde.
21Хто дурня зродив — то собі на горе; отець безумного не зазнає радощів.
22Een blij hart doet het lichaam goed, Neerslachtigheid verdort het gebeente.
22Веселе серце — як лїк, добродїйне, а дух сумовитий висушує й костї.
23De boze neemt een geschenk uit de buidel aan, Om de wegen van het recht te verdraaien.
23Дарунки з пазухи бере безбожний, щоби скривити стежки правосуду.
24De verstandige houdt de wijsheid voor ogen, De ogen van een domoor dwalen af naar de uithoeken der aarde.
24В розумного мудрість — перед очима, дурного ж очі — на концї землї її вбачають.
25Een dom kind is een ergernis voor zijn vader, Een verdriet voor haar, die het baarde.
25Безумний син — отцю свойму гірка досада, ще гірше горе він матері своїй.
26Onschuldigen beboeten is al niet goed; Maar edele mensen slaan, gaat alle perken te buiten!
26Не гарно се, на правого вину спихати, як і бити старшину за суд справедливий.
27Wie verstandig is, is spaarzaam met zijn woorden; Een man van ervaring is koelbloedig.
27Розумний — хто в словах здержливий, і мудрий той, в кого кров холодна.
28Als hij zwijgt, geldt zelfs een dwaze voor wijs; Als hij zijn mond maar houdt, voor verstandig.
28І дурень, як мовчить, здається бути мудрим, а як уста стулить, — навіть розважливим.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.