Spreuken
Chapter 17
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Beter een droog stuk brood met vrede erbij, Dan een huis vol feestmaaltijden en twist.
1Es ist ein trockner Bissen, daran man sich genügen läßt, besser denn ein Haus voll Geschlachtetes mit Hader.
2Een verstandige knecht heeft meer te zeggen dan een ontaarde zoon, En deelt met diens broeders de erfenis.
2Ein kluger Knecht wird herrschen über unfleißige Erben und wird unter den Brüdern das Erbe austeilen.
3De smeltkroes voor het zilver, de oven voor het goud; Maar de harten toetst Jahweh!
3Wie das Feuer Silber und der Ofen Gold, also prüft der HERR die Herzen.
4De boosdoener luistert naar zondige taal, De valsaard heeft oor voor heilloze woorden.
4Ein Böser achtet auf böse Mäuler, und ein Falscher gehorcht den schädlichen Zungen.
5Wie een arme bespot, smaadt zijn Schepper; Wie leedvermaak heeft, blijft niet ongestraft.
5Wer des Dürftigen spottet, der höhnt desselben Schöpfer; und wer sich über eines andern Unglück freut, der wird nicht ungestraft bleiben.
6Kleinkinderen zijn de kroon der grijsaards, Vaders de trots van hun kinderen.
6Der Alten Krone sind Kindeskinder, und der Kinder Ehre sind ihre Väter.
7Als oprechte taal een dwaas niet staat, Past een edelman zeker geen leugentaal.
7Es steht einem Narren nicht wohl an, von hohen Dingen reden, viel weniger einem Fürsten, daß er gern lügt.
8Het geschenk is een toversteen voor wie het geeft; Waarheen hij zich wendt, hij heeft succes.
8Wer zu schenken hat, dem ist's ein Edelstein; wo er sich hin kehrt, ist er klug geachtet.
9Wie een misdaad bemantelt, zoekt de vrede te bewaren; Wie de zaak weer ophaalt, brengt onenigheid tussen vrienden.
9Wer Sünde zudeckt, der macht Freundschaft; wer aber die Sache aufrührt, der macht Freunde uneins.
10Op een verstandig mens maakt één vermaning meer indruk, Dan honderd slagen op een dwaas.
10Schelten bringt mehr ein an dem Verständigen denn hundert Schläge an dem Narren.
11Een boze zoekt enkel verzet; Daarom stuurt men een wreden bode op hem af.
11Ein bitterer Mensch trachtet, eitel Schaden zu tun; aber es wird ein grimmiger Engel über ihn kommen.
12Beter een berin te ontmoeten, van haar jongen beroofd, Dan een dwaas in zijn dwaasheid.
12Es ist besser, einem Bären begegnen, dem die Jungen geraubt sind, denn einem Narren in seiner Narrheit.
13Als iemand goed met kwaad vergeldt, Zal van zijn huis het kwaad niet wijken.
13Wer Gutes mit Bösem vergilt, von dessen Haus wird Böses nicht lassen.
14Als ruzie ontstaat, is het hek van de dam; Bind dus in, voor de twist losbarst.
14Wer Hader anfängt, ist gleich dem, der dem Wasser den Damm aufreißt. Laß du vom Hader, ehe du drein gemengt wirst.
15Wie een boosdoener vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt, Zijn beiden een even grote gruwel voor Jahweh.
15Wer den Gottlosen gerechtspricht und den Gerechten verdammt, die sind beide dem HERRN ein Greuel.
16Waartoe dient geld in de hand van een dwaas, Om wijsheid te kopen, als hij toch geen verstand heeft?
16Was soll dem Narren Geld in der Hand, Weisheit zu kaufen, so er doch ein Narr ist?
17Een vriend laat altijd zijn genegenheid blijken, In tijd van nood toont hij zich als een broeder.
17Ein Freund liebt allezeit, und als ein Bruder wird er in Not erfunden.
18Hoe kortzichtig de mens, die handslag geeft, En zich borg stelt voor zijn naaste.
18Es ist ein Narr, der in die Hand gelobt und Bürge wird für seinen Nächsten.
19Wie op ruzie gesteld is, is op zonde gesteld; Wie hooghartig spreekt, zoekt zijn eigen val.
19Wer Zank liebt, der liebt Sünde; und wer seine Türe hoch macht, ringt nach Einsturz.
20Een vals karakter zal geen zegen ondervinden; Wie zijn woorden verdraait, zal in het ongeluk storten.
20Ein verkehrtes Herz findet nichts Gutes; und der verkehrter Zunge ist, wird in Unglück fallen.
21Wie een domoor verwekt heeft, heeft zich hartzeer bezorgd; De vader van een zot kent geen vreugde.
21Wer einen Narren zeugt, der hat Grämen; und eines Narren Vater hat keine Freude.
22Een blij hart doet het lichaam goed, Neerslachtigheid verdort het gebeente.
22Ein fröhlich Herz macht das Leben lustig; aber ein betrübter Mut vertrocknet das Gebein.
23De boze neemt een geschenk uit de buidel aan, Om de wegen van het recht te verdraaien.
23Der Gottlose nimmt heimlich gern Geschenke, zu beugen den Weg des Rechts.
24De verstandige houdt de wijsheid voor ogen, De ogen van een domoor dwalen af naar de uithoeken der aarde.
24Ein Verständiger gebärdet sich weise; ein Narr wirft die Augen hin und her.
25Een dom kind is een ergernis voor zijn vader, Een verdriet voor haar, die het baarde.
25Ein törichter Sohn ist seines Vaters Trauern und Betrübnis der Mutter, die ihn geboren hat.
26Onschuldigen beboeten is al niet goed; Maar edele mensen slaan, gaat alle perken te buiten!
26Es ist nicht gut, daß man den Gerechten schindet, noch den Edlen zu schlagen, der recht handelt.
27Wie verstandig is, is spaarzaam met zijn woorden; Een man van ervaring is koelbloedig.
27Ein Vernünftiger mäßigt seine Rede; und ein verständiger Mann ist kaltes Muts.
28Als hij zwijgt, geldt zelfs een dwaze voor wijs; Als hij zijn mond maar houdt, voor verstandig.
28Ein Narr, wenn er schwiege, wurde auch für weise gerechnet, und für verständig, wenn er das Maul hielte.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.