Spreuken
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Mijn zoon, neem mijn woorden in acht, En neem mijn wenken ter harte;
1Mein Kind, behalte meine Rede und verbirg meine Gebote bei dir.
2Onderhoud mijn geboden, opdat ge moogt leven, Let op mijn wenken als op de appel van uw oog.
2Behalte meine Gebote, so wirst du leben, und mein Gesetz wie deinen Augapfel.
3Leg ze als een band om uw vingers, Schrijf ze op de tafel van uw hart
3Binde sie an deine Finger; schreibe sie auf die Tafel deines Herzens.
4Zeg tot de wijsheid: “gij zijt mijn zuster”, Noem het verstand: “een bekende”;
4Sprich zur Weisheit: “Du bist meine Schwester”, und nenne die Klugheit deine Freundin,
5Opdat ze u behoeden voor een vreemde vrouw, Voor een onbekende met haar gladde taal.
5daß du behütet werdest vor dem fremden Weibe, vor einer andern, die glatte Worte gibt.
6Want kijkend door het venster van mijn woning Door de tralies heen,
6Denn am Fenster meines Hauses guckte ich durchs Gitter
7Lette ik op het onervaren volk, En zag onder de jongemannen een onverstandigen knaap.
7und sah unter den Unverständigen und ward gewahr unter den Kindern eines törichten Jünglings,
8Hij ging langs de straat, dicht bij haar hoek, En sloeg de richting in naar haar huis,
8der ging auf der Gasse an einer Ecke und trat daher auf dem Wege bei ihrem Hause,
9In de schemering, toen de avond viel En het nachtelijk duister.
9in der Dämmerung, am Abend des Tages, da es Nacht ward und dunkel war.
10Daar komt de vrouw op hem af, Opzichtig gekleed met duidelijke bedoelingen.
10Und siehe, da begegnete ihm ein Weib im Hurenschmuck, listig,
11Wat ziet ze er losbandig en lichtzinnig uit, In huis kunnen haar voeten het niet houden;
11wild und unbändig, daß ihr Füße in ihrem Hause nicht bleiben können.
12Ze loopt de straat, de pleinen op, En bij elke hoek staat ze op wacht!
12Jetzt ist sie draußen, jetzt auf der Gasse, und lauert an allen Ecken.
13Ze grijpt hem vast, geeft hem een kus, En zegt tot hem met een onbeschaamd gezicht:
13Und erwischte ihn und küßte ihn unverschämt und sprach zu ihm:
14Dankoffers had ik te brengen, Vandaag heb ik mijn geloften betaald;
14Ich habe Dankopfer für mich heute bezahlt für meine Gelübde.
15Daarom ging ik naar buiten, u tegemoet, Om u te zoeken, en ik hèb u gevonden.
15Darum bin herausgegangen, dir zu begegnen, dein Angesicht zu suchen, und habe dich gefunden.
16Dekens heb ik op bed gelegd, Bonte dekens van egyptisch lijnwaad;
16Ich habe mein Bett schön geschmückt mit bunten Teppichen aus Ägypten.
17Ik heb mijn bed met myrrhe besprenkeld, Met aloë en kaneel.
17Ich habe mein Lager mit Myrrhe, Aloe und Zimt besprengt.
18Kom, laat ons dronken worden van minne, En tot de morgen zwelgen in liefde.
18Komm, laß und buhlen bis an den Morgen und laß und der Liebe pflegen.
19Mijn man is niet thuis, Hij is op een verre reis;
19Denn der Mann ist nicht daheim; er ist einen fernen Weg gezogen.
20Een buidel geld heeft hij bij zich gestoken, Dus komt hij met volle maan pas terug.
20Er hat den Geldsack mit sich genommen; er wird erst aufs Fest wieder heimkommen.
21Door haar radde taal verleidde ze hem, Met haar gladde tong troonde ze hem mee.
21Sie überredete ihn mit vielen Worten und gewann ihn mit ihrem glatten Munde.
22Daar loopt de sukkel met haar mee, Als een stier, die naar de slachtbank gaat; Als een hert, dat huppelt naar het net,
22Er folgt ihr alsbald nach, wie ein Ochse zur Fleischbank geführt wird, und wie zur Fessel, womit man die Narren züchtigt,
23Totdat een pijl hem het hart doorboort; Als een vogel, die scheert naar de strik, En niet vermoedt, dat het om zijn leven gaat.
23bis sie ihm mit dem Pfeil die Leber spaltet; wie ein Vogel zum Strick eilt und weiß nicht, daß es ihm sein Leben gilt.
24Welnu dan, kinderen, luistert naar mij, Schenkt uw aandacht aan mijn woorden.
24So gehorchet mir nun, meine Kinder, und merket auf die Rede meines Mundes.
25Laat u niet op haar wegen verleiden, Dwaalt niet op haar paden rond.
25Laß dein Herz nicht weichen auf ihren Weg und laß dich nicht verführen auf ihrer Bahn.
26Want talrijke slachtoffers heeft ze gemaakt, Velen heeft ze om hals gebracht;
26Denn sie hat viele verwundet und gefällt, und sind allerlei Mächtige von ihr erwürgt.
27Een weg naar de onderwereld is haar huis, Vandaar daalt men af naar het dodenrijk.
27Ihr Haus sind Wege zum Grab, da man hinunterfährt in des Todes Kammern.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.