Spreuken 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Mijn zoon, schenk uw aandacht aan mijn wijsheid, Neig uw oor tot mijn inzicht;
1Mein Kind, merke auf meine Weisheit; neige dein Ohr zu meiner Lehre,
2Dat overleg en ervaring u mogen behoeden, En u bewaren voor de lippen van een vreemde vrouw.
2daß du bewahrest guten Rat und dein Mund wisse Unterschied zu halten.
3Want al druipen de lippen der vreemde van honing, En is haar gehemelte gladder dan olie,
3Denn die Lippen der Hure sind süß wie Honigseim, und ihre Kehle ist glätter als Öl,
4Ten slotte is zij bitter als alsem, En scherp als een tweesnijdend zwaard.
4aber hernach bitter wie Wermut und scharf wie ein zweischneidiges Schwert.
5Haar voeten dalen af naar de dood, Tot de onderwereld leiden haar schreden;
5Ihre Füße laufen zum Tod hinunter; ihre Gänge führen ins Grab.
6Ze bakent de weg des levens niet af, Maar haar paden kronkelen ongemerkt!
6Sie geht nicht stracks auf dem Wege des Lebens; unstet sind ihre Tritte, daß sie nicht weiß, wo sie geht.
7Welnu dan kinderen, luistert naar mij, Keert u niet af van mijn woorden.
7So gehorchet mir nun, meine Kinder, und weichet nicht von der Rede meines Mundes.
8Houd uw weg verre van haar, Nader niet tot de deur van haar huis:
8Laß deine Wege ferne von ihr sein, und nahe nicht zur Tür ihres Hauses,
9Anders moet ge aan anderen uw frisheid afstaan, Uw jaren offeren aan een ongenadig mens
9daß du nicht den Fremden gebest deine Ehre und deine Jahre dem Grausamen;
10Verrijken zich vreemden met uw vermogen, En komt uw zuurverdiend loon in het huis van een ander.
10daß sich nicht Fremde von deinem Vermögen sättigen und deine Arbeit nicht sei in eines andern Haus,
11Dan slaat ge ten slotte aan ‘t jammeren, En moet ge, als heel uw lichaam op is, bekennen:
11und müssest hernach seufzen, wenn du Leib und Gut verzehrt hast,
12Hoe heb ik toch de tucht kunnen haten, En de vermaning in de wind kunnen slaan?
12und sprechen: “Ach, wie habe ich die Zucht gehaßt und wie hat mein Herz die Strafe verschmäht!
13Waarom heb ik niet geluisterd naar hen, die mij onderwezen, Geen aandacht geschonken aan hen, die mij leerden?
13wie habe ich nicht gehorcht der Stimme meiner Lehrer und mein Ohr nicht geneigt zu denen, die mich lehrten!
14Nu hebben mij haast alle rampen getroffen Midden in de kring van mijn volk!
14Ich bin schier in alles Unglück gekommen vor allen Leuten und allem Volk.”
15Drink water uit uw eigen bron, Een koele dronk uit uw eigen put
15Trink Wasser aus deiner Grube und Flüsse aus deinem Brunnen.
16Zoudt ge úw wellen over de rand laten stromen, Uw watergolven over de straten?
16Laß deine Brunnen herausfließen und die Wasserbäche auf die Gassen.
17Néén, u alleen behoren zij toe, Niet aan vreemden nevens u.
17Habe du aber sie allein, und kein Fremder mit dir.
18Houd dus uw bron voor u zelf, En geniet van de vrouw uwer jeugd:
18Dein Born sei gesegnet, und freue dich des Weibes deiner Jugend.
19Die aanminnige hinde, Die bevallige gems; Haar borsten mogen u ten allen tijde bevredigen. Aan haar liefde moogt ge u voortdurend bedwelmen.
19Sie ist lieblich wie die Hinde und holdselig wie ein Reh. Laß dich ihre Liebe allezeit sättigen und ergötze dich allewege in ihrer Liebe.
20Waarom, mijn zoon, zoudt ge u aan een vreemde te buiten gaan, De boezem strelen van een onbekende?
20Mein Kind, warum willst du dich an der Fremden ergötzen und herzest eine andere?
21Voor de ogen van Jahweh liggen de wegen van iedereen open, Hij let op de paden van allen:
21Denn jedermanns Wege sind offen vor dem HERRN, und er mißt alle ihre Gänge.
22De boze wordt in zijn eigen wandaden verstrikt, In de banden van zijn zonden gevangen;
22Die Missetat des Gottlosen wird ihn fangen, und er wird mit dem Strick seiner Sünde gehalten werden.
23Zijn losbandigheid brengt hem om het leven, Door zijn vele dwaasheden komt hij om.
23Er wird sterben, darum daß er sich nicht will ziehen lassen; und um seiner großen Torheit willen wird's ihm nicht wohl gehen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.