Spreuken 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1De wijsheid heeft zich een huis gebouwd, Haar zeven zuilen opgericht,
1Die Weisheit baute ihr Haus und hieb sieben Säulen,
2Haar vee geslacht, haar wijn gemengd, Haar dis ook bereid.
2schlachtete ihr Vieh und trug ihren Wein auf und bereitete ihren Tisch
3Nu laat ze haar dienstmaagden noden Op de hoogste punten der stad:
3und sandte ihre Dirnen aus, zu rufen oben auf den Höhen der Stadt:
4Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken.
4“Wer verständig ist, der mache sich hierher!”, und zum Narren sprach sie:
5Komt, eet van mijn spijzen, En drinkt van de wijn die ik mengde;
5“Kommet, zehret von meinem Brot und trinket den Wein, den ich schenke;
6Laat de onnozelheid varen, opdat gij moogt leven, Betreedt de rechte weg van het verstand!
6verlaßt das unverständige Wesen, so werdet ihr leben, und gehet auf dem Wege der Klugheit.”
7Wie een spotter vermaant, berokkent zich schande, En wie een booswicht bestraft, op hem komt een smet.
7Wer den Spötter züchtigt, der muß Schande auf sich nehmen; und wer den Gottlosen straft, der muß gehöhnt werden.
8Ge moet geen spotter bestraffen, hij zal u erom haten, Bestraf een wijze, hij zal er u dankbaar voor zijn.
8Strafe den Spötter nicht, er haßt dich; strafe den Weisen, der wird dich lieben.
9Deel mee aan een wijze: hij wordt nog wijzer, Onderricht een rechtvaardige: hij zal zijn inzicht verdiepen.
9Gib dem Weisen, so wird er noch weiser werden; lehre den Gerechten, so wird er in der Lehre zunehmen.
10Ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid, Den Heilige kennen is inzicht.
10Der Weisheit Anfang ist des HERRN Furcht, und den Heiligen erkennen ist Verstand.
11Want door Jahweh worden uw dagen vermeerderd. Worden jaren van leven u toegevoegd.
11Denn durch mich werden deiner Tage viel werden und werden dir der Jahre des Lebens mehr werden.
12Zijt ge wijs, ge zijt wijs tot uw eigen voordeel; Zijt ge eigenwijs, gij alleen moet ervoor boeten!
12Bist du weise, so bist du dir weise; bist du ein Spötter, so wirst du es allein tragen.
13De dwaasheid is een wispelturige vrouw, Een verleidster, die geen schaamte kent.
13Es ist aber ein törichtes, wildes Weib, voll Schwätzens, und weiß nichts;
14Ze zit aan de deur van haar huis, In een zetel op de hoogten der stad;
14die sitzt in der Tür ihres Hauses auf dem Stuhl, oben in der Stadt,
15Zij nodigt de voorbijgangers uit, Hen die recht huns weegs willen gaan:
15zu laden alle, die vorübergehen und richtig auf ihrem Wege wandeln:
16Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken!
16“Wer unverständig ist, der mache sich hierher!”, und zum Narren spricht sie:
17Gestolen water is zoet, Heimelijk gegeten brood smaakt lekker!
17“Die gestohlenen Wasser sind süß, und das verborgene Brot schmeckt wohl.”
18Maar men vermoedt niet, dat de schimmen daar wonen, Dat haar gasten diep in het dodenrijk komen!
18Er weiß aber nicht, daß daselbst Tote sind und ihre Gäste in der tiefen Grube.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.