Spreuken 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De wijsheid heeft zich een huis gebouwd, Haar zeven zuilen opgericht,
1[Sapientia ædificavit sibi domum: excidit columnas septem.
2Haar vee geslacht, haar wijn gemengd, Haar dis ook bereid.
2Immolavit victimas suas, miscuit vinum, et proposuit mensam suam.
3Nu laat ze haar dienstmaagden noden Op de hoogste punten der stad:
3Misit ancillas suas ut vocarent ad arcem et ad mœnia civitatis.
4Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken.
4Si quis est parvulus, veniat ad me. Et insipientibus locuta est:
5Komt, eet van mijn spijzen, En drinkt van de wijn die ik mengde;
5Venite, comedite panem meum, et bibite vinum quod miscui vobis.
6Laat de onnozelheid varen, opdat gij moogt leven, Betreedt de rechte weg van het verstand!
6Relinquite infantiam, et vivite, et ambulate per vias prudentiæ.]
7Wie een spotter vermaant, berokkent zich schande, En wie een booswicht bestraft, op hem komt een smet.
7[Qui erudit derisorem, ipse injuriam sibi facit, et qui arguit impium, sibi maculam generat.
8Ge moet geen spotter bestraffen, hij zal u erom haten, Bestraf een wijze, hij zal er u dankbaar voor zijn.
8Noli arguere derisorem, ne oderit te: argue sapientem, et diliget te.
9Deel mee aan een wijze: hij wordt nog wijzer, Onderricht een rechtvaardige: hij zal zijn inzicht verdiepen.
9Da sapienti occasionem, et addetur ei sapientia; doce justum, et festinabit accipere.
10Ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid, Den Heilige kennen is inzicht.
10Principium sapientiæ timor Domini, et scientia sanctorum prudentia.
11Want door Jahweh worden uw dagen vermeerderd. Worden jaren van leven u toegevoegd.
11Per me enim multiplicabuntur dies tui, et addentur tibi anni vitæ.
12Zijt ge wijs, ge zijt wijs tot uw eigen voordeel; Zijt ge eigenwijs, gij alleen moet ervoor boeten!
12Si sapiens fueris, tibimetipsi eris; si autem illusor, solus portabis malum.]
13De dwaasheid is een wispelturige vrouw, Een verleidster, die geen schaamte kent.
13[Mulier stulta et clamosa, plenaque illecebris, et nihil omnino sciens,
14Ze zit aan de deur van haar huis, In een zetel op de hoogten der stad;
14sedit in foribus domus suæ, super sellam in excelso urbis loco,
15Zij nodigt de voorbijgangers uit, Hen die recht huns weegs willen gaan:
15ut vocaret transeuntes per viam, et pergentes itinere suo:
16Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken!
16Qui est parvulus declinet ad me. Et vecordi locuta est:
17Gestolen water is zoet, Heimelijk gegeten brood smaakt lekker!
17Aquæ furtivæ dulciores sunt, et panis absconditus suavior.
18Maar men vermoedt niet, dat de schimmen daar wonen, Dat haar gasten diep in het dodenrijk komen!
18Et ignoravit quod ibi sint gigantes, et in profundis inferni convivæ ejus.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.