Spreuken 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Mijn zoon, schenk uw aandacht aan mijn wijsheid, Neig uw oor tot mijn inzicht;
1[Fili mi, attende ad sapientiam meam, et prudentiæ meæ inclina aurem tuam:
2Dat overleg en ervaring u mogen behoeden, En u bewaren voor de lippen van een vreemde vrouw.
2ut custodias cogitationes, et disciplinam labia tua conservent. Ne attendas fallaciæ mulieris;
3Want al druipen de lippen der vreemde van honing, En is haar gehemelte gladder dan olie,
3favus enim distillans labia meretricis, et nitidius oleo guttur ejus:
4Ten slotte is zij bitter als alsem, En scherp als een tweesnijdend zwaard.
4novissima autem illius amara quasi absinthium, et acuta quasi gladius biceps.
5Haar voeten dalen af naar de dood, Tot de onderwereld leiden haar schreden;
5Pedes ejus descendunt in mortem, et ad inferos gressus illius penetrant.
6Ze bakent de weg des levens niet af, Maar haar paden kronkelen ongemerkt!
6Per semitam vitæ non ambulant; vagi sunt gressus ejus et investigabiles.
7Welnu dan kinderen, luistert naar mij, Keert u niet af van mijn woorden.
7Nunc ergo fili mi, audi me, et ne recedas a verbis oris mei.
8Houd uw weg verre van haar, Nader niet tot de deur van haar huis:
8Longe fac ab ea viam tuam, et ne appropinques foribus domus ejus.
9Anders moet ge aan anderen uw frisheid afstaan, Uw jaren offeren aan een ongenadig mens
9Ne des alienis honorem tuum, et annos tuos crudeli:
10Verrijken zich vreemden met uw vermogen, En komt uw zuurverdiend loon in het huis van een ander.
10ne forte implentur extranei viribus tuis, et labores tui sint in domo aliena,
11Dan slaat ge ten slotte aan ‘t jammeren, En moet ge, als heel uw lichaam op is, bekennen:
11et gemas in novissimis, quando consumpseris carnes tuas et corpus tuum, et dicas:
12Hoe heb ik toch de tucht kunnen haten, En de vermaning in de wind kunnen slaan?
12Cur detestatus sum disciplinam, et increpationibus non acquievit cor meum,
13Waarom heb ik niet geluisterd naar hen, die mij onderwezen, Geen aandacht geschonken aan hen, die mij leerden?
13nec audivi vocem docentium me, et magistris non inclinavi aurem meam?
14Nu hebben mij haast alle rampen getroffen Midden in de kring van mijn volk!
14pene fui in omni malo, in medio ecclesiæ et synagogæ.
15Drink water uit uw eigen bron, Een koele dronk uit uw eigen put
15Bibe aquam de cisterna tua, et fluenta putei tui;
16Zoudt ge úw wellen over de rand laten stromen, Uw watergolven over de straten?
16deriventur fontes tui foras, et in plateis aquas tuas divide.
17Néén, u alleen behoren zij toe, Niet aan vreemden nevens u.
17Habeto eas solus, nec sint alieni participes tui.
18Houd dus uw bron voor u zelf, En geniet van de vrouw uwer jeugd:
18Sit vena tua benedicta, et lætare cum muliere adolescentiæ tuæ.
19Die aanminnige hinde, Die bevallige gems; Haar borsten mogen u ten allen tijde bevredigen. Aan haar liefde moogt ge u voortdurend bedwelmen.
19Cerva carissima, et gratissimus hinnulus: ubera ejus inebrient te in omni tempore; in amore ejus delectare jugiter.
20Waarom, mijn zoon, zoudt ge u aan een vreemde te buiten gaan, De boezem strelen van een onbekende?
20Quare seduceris, fili mi, ab aliena, et foveris in sinu alterius?
21Voor de ogen van Jahweh liggen de wegen van iedereen open, Hij let op de paden van allen:
21Respicit Dominus vias hominis, et omnes gressus ejus considerat.
22De boze wordt in zijn eigen wandaden verstrikt, In de banden van zijn zonden gevangen;
22Iniquitates suas capiunt impium, et funibus peccatorum suorum constringitur.
23Zijn losbandigheid brengt hem om het leven, Door zijn vele dwaasheden komt hij om.
23Ipse morietur, quia non habuit disciplinam, et in multitudine stultitiæ suæ decipietur.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.