Spreuken
Chapter 5
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Mijn zoon, schenk uw aandacht aan mijn wijsheid, Neig uw oor tot mijn inzicht;
1Figliuol mio, attendi alla mia sapienza, Inchina il tuo orecchio al mio intendimento;
2Dat overleg en ervaring u mogen behoeden, En u bewaren voor de lippen van een vreemde vrouw.
2Acciocchè tu osservi gli avvedimenti, E che le tue labbra conservino la scienza.
3Want al druipen de lippen der vreemde van honing, En is haar gehemelte gladder dan olie,
3Perciocchè le labbra della donna straniera stillano favi di miele. E il suo palato è più dolce che olio;
4Ten slotte is zij bitter als alsem, En scherp als een tweesnijdend zwaard.
4Ma il fine di essa è amaro come assenzio, Acuto come una spada a due tagli.
5Haar voeten dalen af naar de dood, Tot de onderwereld leiden haar schreden;
5I suoi piedi scendono alla morte; I suoi passi fanno capo all'inferno.
6Ze bakent de weg des levens niet af, Maar haar paden kronkelen ongemerkt!
6I suoi sentieri sono vaganti, senza che essa sappia ove va, Perchè non considera attentamente la via della vita.
7Welnu dan kinderen, luistert naar mij, Keert u niet af van mijn woorden.
7Ora dunque, figliuoli, ascoltatemi, E non vi dipartite da' detti della mia bocca.
8Houd uw weg verre van haar, Nader niet tot de deur van haar huis:
8Allontana la tua via da essa, E non accostarti all'uscio della sua casa;
9Anders moet ge aan anderen uw frisheid afstaan, Uw jaren offeren aan een ongenadig mens
9Che talora tu non dia il tuo onore agli stranieri, E gli anni tuoi al crudele;
10Verrijken zich vreemden met uw vermogen, En komt uw zuurverdiend loon in het huis van een ander.
10Che talora i forestieri non si sazino delle tue facoltà; E che le tue fatiche non vadano nella casa dello strano;
11Dan slaat ge ten slotte aan ‘t jammeren, En moet ge, als heel uw lichaam op is, bekennen:
11E che tu non gema alla fine, Quando la tua carne ed il tuo corpo saranno consumati;
12Hoe heb ik toch de tucht kunnen haten, En de vermaning in de wind kunnen slaan?
12E non dica: Come ebbi io in odio l'ammaestramento? E come rigettò il mio cuore la correzione?
13Waarom heb ik niet geluisterd naar hen, die mij onderwezen, Geen aandacht geschonken aan hen, die mij leerden?
13E come non ascoltai la voce di quelli che mi ammaestravano, E non inchinai il mio orecchio a quelli che m'insegnavano?
14Nu hebben mij haast alle rampen getroffen Midden in de kring van mijn volk!
14Quasi che sono stato in ogni male, In mezzo della raunanza e della congregazione.
15Drink water uit uw eigen bron, Een koele dronk uit uw eigen put
15Bevi delle acque della tua cisterna, E de' ruscelli di mezzo della tua fonte.
16Zoudt ge úw wellen over de rand laten stromen, Uw watergolven over de straten?
16Spandansi le tue fonti fuori, Ed i ruscelli delle tue acque per le piazze.
17Néén, u alleen behoren zij toe, Niet aan vreemden nevens u.
17Sieno quelle acque a te solo, E a niuno strano teco.
18Houd dus uw bron voor u zelf, En geniet van de vrouw uwer jeugd:
18Sia la tua fonte benedetta; E rallegrati della moglie della tua giovanezza.
19Die aanminnige hinde, Die bevallige gems; Haar borsten mogen u ten allen tijde bevredigen. Aan haar liefde moogt ge u voortdurend bedwelmen.
19Siati ella una cerva amorosa, ed una cavriuola graziosa; Inebbrinti le sue mammelle in ogni tempo; Sii del continuo invaghito del suo amore.
20Waarom, mijn zoon, zoudt ge u aan een vreemde te buiten gaan, De boezem strelen van een onbekende?
20E perchè, figliuol mio, t'invaghiresti della straniera, Ed abbracceresti il seno della forestiera?
21Voor de ogen van Jahweh liggen de wegen van iedereen open, Hij let op de paden van allen:
21Conciossiachè le vie dell'uomo sieno davanti agli occhi del Signore, E ch'egli consideri tutti i suoi sentieri.
22De boze wordt in zijn eigen wandaden verstrikt, In de banden van zijn zonden gevangen;
22Le iniquità dell'empio lo prenderanno, Ed egli sarà ritenuto con le funi del suo peccato.
23Zijn losbandigheid brengt hem om het leven, Door zijn vele dwaasheden komt hij om.
23Egli morrà per mancamento di correzione; E andrà errando per la molta sua pazzia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.