Spreuken 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
1Il povero, che cammina nella sua integrità, Val meglio che il perverso di labbra, il quale è stolto.
2Zonder verstand deugt zelfs de ijver niet; Wie te haastig loopt, doet een misstap.
2Come chi è frettoloso di piedi incappa; Così non vi è alcun bene, quando l'anima è senza conoscimento.
3Door zijn dwaasheid komt de mens op het verkeerde pad, Maar hij zelf wijt het aan Jahweh!
3La stoltizia dell'uomo perverte la via di esso; E pure il suo cuore dispetta contro al Signore.
4Rijkdom maakt vele vrienden, Een arme raakt zijn vrienden kwijt.
4Le ricchezze aggiungono amici in gran numero; Ma il misero è separato dal suo intimo amico.
5Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal niet ontkomen.
5Il falso testimonio non resterà impunito, E chi sbocca menzogne non iscamperà.
6Velen dingen naar de gunst van een voorname; Wie geschenken geeft, heeft allen tot vriend.
6Molti riveriscono il principe; Ma ognuno è amico del donatore.
7Als een arme al door zijn broers wordt gehaat, Hoever zullen zijn vrienden zich dan van hem terugtrekken! Wie te veel spreekt, wordt een meester in de boosheid; Wie woorden najaagt, ontkomt niet.
7Tutti i fratelli del povero l'odiano; Quanto più si dilungheranno i suoi amici da lui! Egli con parole li supplica, ma essi se ne vanno.
8Wie verstand verwerft, heeft zichzelven lief; Wie inzicht bewaart, zal het goede ondervinden.
8Chi acquista senno ama l'anima sua; Chi osserva l'intendimento troverà del bene.
9Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal omkomen.
9Il falso testimonio non resterà impunito, E chi sbocca menzogne perirà.
10Weelde staat een dwaas evenmin, Als een knecht het heersen over vorsten.
10I diletti non si convengono allo stolto; Quanto meno conviensi al servo signoreggiar sopra i principi!
11Wijsheid maakt den mens lankmoedig; Hij gaat er groot op, een misstap te vergeven.
11Il senno dell'uomo rallenta l'ira di esso; E la sua gloria è di passar sopra le offese.
12Een toornig koning brult als een leeuw, Maar als dauw op het groen is zijn gunst.
12L'indegnazione del re è come il ruggito del leoncello; Ma il suo favore è come la rugiada sopra l'erba.
13Een dwaas kind is een ramp voor zijn vader, Het getwist van een vrouw een gestadig druppelend lek.
13Il figliuolo stolto è una grande sciagura a suo padre; E le risse della moglie sono un gocciolar continuo.
14Huis en have worden van vader geërfd, Maar een verstandige vrouw komt van Jahweh.
14Casa e sostanza sono l'eredità de' padri; Ma dal Signore viene la moglie prudente.
15Luiheid verwekt een diepe slaap, Een trage geest moet honger lijden.
15La pigrizia fa cadere in profondo sonno; E la persona negligente avrà fame.
16Wie de geboden in acht neemt, behoedt zichzelf; Wie niet past op zijn wandel, zal sterven.
16Chi osserva il comandamento guarda l'anima sua; Ma chi trascura le sue vie morrà.
17Wie goed is voor een arme, leent aan Jahweh; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
17Chi dona al povero presta al Signore; Ed egli gli farà la sua retribuzione.
18Tuchtig uw kind, zo lang er nog hoop is; Maar laat u niet vervoeren tot toorn.
18Gastiga il tuo figliuolo, mentre vi è ancora della speranza; Ma non imprender già di ucciderlo.
19Een driftig mens zal moeten boeten; Wilt ge hem helpen, ge maakt het nog erger.
19Chi è grandemente iracondo ne porterà la pena; Che se tu lo scampi, tu lo renderai vie più iracondo .
20Luister naar raad, en neem vermaning aan, Opdat ge tenslotte wijs moogt zijn.
20Ascolta consiglio, e ricevi correzione, Acciocchè tu diventi savio alla fine.
21Vele plannen gaan er om in den mens, Maar het besluit van Jahweh, dàt komt tot stand.
21Vi sono molti pensieri nel cuor dell'uomo; Ma il consiglio del Signore è quello che sarà stabile.
22Goedheid strekt den mens tot gewin, Beter arm te zijn dan wreed
22La benignità dell'uomo è il suo ornamento; E meglio vale il povero, che l'uomo bugiardo.
23Het ontzag voor Jahweh leidt ten leven; Men rust dan tevreden, niet door rampen bezocht.
23Il timor del Signore è a vita; E chi lo teme passerà la notte sazio, e non sarà visitato da alcun male.
24Als een luiaard zijn hand in de schotel heeft gestoken, Brengt hij haar nog niet eens naar de mond.
24Il pigro nasconde la mano nel seno, E non la ritrae fuori, non pure per recarsela alla bocca.
25Slaat ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Vermaant ge een verstandig mens, hij leert er nog uit.
25Percuoti lo schernitore, e il semplice ne diventerà avveduto; E se tu correggi l' uomo intendente, egli intenderà la scienza.
26Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verjaagt, Is een kind, dat beschaamt en te schande maakt.
26Il figliuolo che fa vergogna e vituperio, Ruina il padre, e scaccia la madre.
27Mijn zoon, houdt ge op, naar vermaning te luisteren, Dan dwaalt ge af van verstandige taal.
27Figliuol mio, ascoltando l'ammaestramento, Rimanti di deviare da' detti di scienza.
28Een kwaadwillige getuige spot met het recht, De mond der bozen stort onrecht uit.
28Il testimonio scellerato schernisce la dirittura; E la bocca degli empi trangugia l'iniquità.
29Voor de spotters liggen roeden gereed, En slagen voor de rug van de dwazen.
29I giudicii sono apparecchiati agli schernitori, E le percosse al dosso degli stolti.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.