Spreuken
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Spreuken van Salomon. Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader; Een kind, dat niet oppast, bezorgt zijn moeder verdriet.
1LE sentenze di Salomone. Il figliuol savio rallegra il padre; Ma il figliuolo solto è il cordoglio di sua madre.
2Oneerlijk verkregen rijkdom zal niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt uit de dood.
2I tesori d'empietà non giovano; Ma la giustizia riscuote da morte.
3Jahweh zal een rechtvaardige geen honger doen lijden, Maar de begeerlijkheid der bozen wijst Hij af.
3Il Signore non lascerà aver fame all'anima del giusto; Ma egli sovverte la sostanza degli empi.
4Een vadsige hand kweekt armoe, De hand der vlijtigen maakt rijk.
4La man rimessa fa impoverire; Ma la mano de' diligenti arricchisce.
5Wie in de zomer voorraad opdoet, is wijs; Wie in de oogsttijd slaapt, wordt beschaamd.
5Chi raccoglie nella state è un figliuolo avveduto; Ma chi dorme nella ricolta è un figliuolo che fa vituperio.
6Zegen rust op het hoofd van den rechtvaardige, Maar geweld zal het gezicht der bozen bedekken
6Benedizioni sono sopra il capo del giusto; Ma la violenza coprirà la bocca degli empi.
7De nagedachtenis van den rechtvaardige wordt gezegend, De naam der bozen vervloekt.
7La memoria del giusto è in benedizione; Ma il nome degli empi marcirà.
8Wie wijs is van harte, neemt voorschriften aan; Wie dwaze dingen zegt, komt ten val.
8Il savio di cuore riceve i comandamenti; Ma lo stolto di labbra andrà in precipizio.
9Hij gaat veilig, die onberispelijk wandelt; Maar wie zich op dwaalwegen waagt, wordt betrapt.
9Chi cammina in integrità cammina in sicurtà; Ma chi perverte le sue vie sarà fiaccato.
10Wie een oogje toedoet, veroorzaakt droefheid; Wie vrijmoedig terechtwijst, sticht vrede.
10Chi ammicca con l'occhio reca molestia; Ma lo stolto di labbra andrà in precipizio.
11Een bron van leven is de mond van den rechtvaardige, De mond der bozen verbergt geweld.
11La bocca del giusto è una fonte viva; Ma la violenza coprirà la bocca degli empi.
12De haat verwekt twist, Maar de liefde bedekt alle overtredingen.
12L'odio muove contese; Ma la carità ricopre ogni misfatto.
13Op de lippen van een wijze vindt men wijsheid, Op de rug van een onverstandig mens dient de stok.
13La sapienza si trova nelle labbra dell'intendente; Ma il bastone è per lo dosso di chi è scemo di senno.
14Wijzen houden de kennis voor zich, Maar de mond van een dwaas is een dreigend onheil.
14I savi ripongono appo loro la scienza; Ma la bocca dello stolto è una ruina vicina.
15Het bezit is voor den rijke een sterke burcht, De armoede voor de behoeftigen een ongeluk.
15Le facoltà del ricco son la sua forte città; Ma la povertà de' bisognosi è il loro spavento.
16Wat een rechtvaardige verdient, strekt ten leven; Maar de winst van een boze tot zonde.
16Le opere de' giusti sono a vita; Ma quello che l'empio produce è a peccato.
17Wie de tucht in ere houdt, betreedt de weg ten leven; Wie vermaningen in de wind slaat, verdwaalt.
17Chi osserva l'ammaestramento è un cammino a vita; Ma chi lascia la correzione fa traviare.
18Eerlijke lippen houden hatelijkheden binnen; Wie lasterpraatjes verspreidt, is een dwaas.
18Chi copre l'odio è uomo di labbra bugiarde; E chi sbocca infamia è stolto.
19In een vloed van woorden wordt licht een fout begaan; Wijs dus hij, die zijn lippen opeenknijpt!
19In moltitudine di parole non manca misfatto; Ma chi rattiene le sue labbra è prudente.
20Het fijnste zilver is de tong van een rechtvaardige, Het hart der bozen is weinig waard.
20La lingua del giusto è argento eletto; Ma il cuor degli empi è ben poca cosa.
21De lippen van een rechtvaardige kunnen velen leiden, Maar de bozen gaan aan hun onverstand dood.
21Le labbra del giusto pascono molti; Ma gli stolti muoiono per mancamento di senno.
22Het is de zegen van Jahweh, die rijk maakt; Eigen beslommering voegt er niets aan toe.
22La benedizione del Signore è quella che arricchisce; E la fatica non le sopraggiugne nulla.
23Voor den dwaze is kwaaddoen een genot, Voor een man van inzicht het betrachten van wijsheid.
23Il commettere scelleratezza è allo stolto come uno scherzare; Così è la sapienza all'uomo d'intendimento.
24Wat de boze ducht, dat overkomt hem; Wat een rechtvaardige verlangt, wordt hem geschonken.
24Egli avverrà all'empio ciò ch'egli teme; Ma Iddio darà a' giusti ciò che desiderano.
25Steekt er een storm op, dan is de boze verdwenen; Maar de rechtvaardige staat blijvend vast.
25Come il turbo passa via di subito , così l'empio non è più ; Ma il giusto è un fondamento perpetuo.
26Azijn voor de tanden en rook voor de ogen, Dàt is de luiaard voor wie hem een boodschap laat doen.
26Quale è l'aceto a' denti, e il fumo agli occhi, Tale è il pigro a quelli che lo mandano.
27Het ontzag voor Jahweh verlengt het leven, Maar de jaren der bozen zijn kort.
27Il timor del Signore accresce i giorni; Ma gli anni degli empi saranno scorciati.
28De hoop der rechtvaardigen eindigt in vreugde, De verwachting der bozen loopt uit op niets.
28L'aspettar de' giusti è letizia; Ma la speranza degli empi perirà.
29Jahweh is een steun voor wie onberispelijk wandelen, Maar een verschrikking voor allen, die kwaad doen.
29La via del Signore è una fortezza all' uomo intiero; Ma ella è spavento agli operatori d'iniquità.
30De rechtvaardige zal in der eeuwigheid niet wankelen, De bozen zullen de aarde niet blijven bewonen.
30Il giusto non sarà giammai in eterno scrollato; Ma gli empi non abiteranno la terra.
31De mond van een rechtvaardige brengt wijsheid voort, Maar een sluwe tong wordt uitgerukt.
31La bocca del giusto produce sapienza; Ma la lingua perversa sarà troncata.
32De lippen van een rechtvaardige weten wat welgevallig is, Maar de mond der bozen heeft slinkse streken.
32Le labbra del giusto conoscono ciò che è gradevole; Ma la bocca dell'empio non è altro che perversità.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.