Spreuken 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Beter een droog stuk brood met vrede erbij, Dan een huis vol feestmaaltijden en twist.
1Migliore è un boccon di pane secco, con quiete, Che una casa piena di animali ammazzati, con rissa.
2Een verstandige knecht heeft meer te zeggen dan een ontaarde zoon, En deelt met diens broeders de erfenis.
2Il servitore intendente signoreggerà sopra il figliuolo che reca vituperio, E spartirà l'eredità tra i fratelli.
3De smeltkroes voor het zilver, de oven voor het goud; Maar de harten toetst Jahweh!
3La coppella è per l'argento, e il fornello per l'oro; Ma il Signore prova i cuori.
4De boosdoener luistert naar zondige taal, De valsaard heeft oor voor heilloze woorden.
4L'uomo maligno presta gli orecchi alle labbra inique; E l'ingannatore ascolta la lingua maliziosa.
5Wie een arme bespot, smaadt zijn Schepper; Wie leedvermaak heeft, blijft niet ongestraft.
5Chi beffa il povero fa onta a colui che l'ha fatto; Chi si rallegra della calamità altrui non resterà impunito.
6Kleinkinderen zijn de kroon der grijsaards, Vaders de trots van hun kinderen.
6I figliuoli de' figliuoli son la corona de' vecchi; E i padri son la gloria de' figliuoli.
7Als oprechte taal een dwaas niet staat, Past een edelman zeker geen leugentaal.
7Il parlar magnifico non è decevole all'uomo da nulla; Quanto meno al principe il labbro falso!
8Het geschenk is een toversteen voor wie het geeft; Waarheen hij zich wendt, hij heeft succes.
8Il presente è , appo chi è dato a ricever presenti, una gioia graziosa; Dovunque si volge produce effetto.
9Wie een misdaad bemantelt, zoekt de vrede te bewaren; Wie de zaak weer ophaalt, brengt onenigheid tussen vrienden.
9Chi copre il fallo procaccia amicizia; Ma chi lo ridice disunisce gli amici.
10Op een verstandig mens maakt één vermaning meer indruk, Dan honderd slagen op een dwaas.
10La riprensione scende più addentro nell' uomo intendente, Che cento percosse date allo stolto.
11Een boze zoekt enkel verzet; Daarom stuurt men een wreden bode op hem af.
11Il malvagio non cerca altro che ribellione; Ma l'angelo crudele sarà mandato contro a lui.
12Beter een berin te ontmoeten, van haar jongen beroofd, Dan een dwaas in zijn dwaasheid.
12Scontrisi pure in un uomo un'orsa, a cui sieno stati tolti i suoi figli, Anzi che un pazzo nella sua pazzia.
13Als iemand goed met kwaad vergeldt, Zal van zijn huis het kwaad niet wijken.
13Il male non si dipartirà giammai dalla casa Di chi rende il mal per lo bene.
14Als ruzie ontstaat, is het hek van de dam; Bind dus in, voor de twist losbarst.
14Chi comincia la contesa è come chi dà apritura alle acque; Però avanti che si venga alle contumelie, lascia la questione.
15Wie een boosdoener vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt, Zijn beiden een even grote gruwel voor Jahweh.
15Chi assolve il reo, e chi condanna il giusto, Sono amendue ugualmente abbominevoli al Signore.
16Waartoe dient geld in de hand van een dwaas, Om wijsheid te kopen, als hij toch geen verstand heeft?
16A che serve il prezzo in mano allo stolto, Da comperar sapienza, poichè egli non ha alcun senno?
17Een vriend laat altijd zijn genegenheid blijken, In tijd van nood toont hij zich als een broeder.
17L'amico ama in ogni tempo, E il fratello nasce per l'afflizione.
18Hoe kortzichtig de mens, die handslag geeft, En zich borg stelt voor zijn naaste.
18L'uomo scemo di senno tocca la mano, E fa sicurtà al suo prossimo.
19Wie op ruzie gesteld is, is op zonde gesteld; Wie hooghartig spreekt, zoekt zijn eigen val.
19Chi ama contesa ama misfatto; Chi alza la sua porta cerca ruina.
20Een vals karakter zal geen zegen ondervinden; Wie zijn woorden verdraait, zal in het ongeluk storten.
20L' uomo perverso di cuore non troverà il bene; E l' uomo stravolto nel suo parlare caderà nel male.
21Wie een domoor verwekt heeft, heeft zich hartzeer bezorgd; De vader van een zot kent geen vreugde.
21Chi genera un pazzo lo genera a suo cordoglio; E il padre dello stolto non si rallegrerà.
22Een blij hart doet het lichaam goed, Neerslachtigheid verdort het gebeente.
22Il cuore allegro giova, come una medicina; Ma lo spirito afflitto secca le ossa.
23De boze neemt een geschenk uit de buidel aan, Om de wegen van het recht te verdraaien.
23L'empio prende il presente dal seno, Per pervertir le vie del giudicio.
24De verstandige houdt de wijsheid voor ogen, De ogen van een domoor dwalen af naar de uithoeken der aarde.
24La sapienza è nel cospetto dell'intendente; Ma gli occhi dello stolto riguardano alle estremità della terra.
25Een dom kind is een ergernis voor zijn vader, Een verdriet voor haar, die het baarde.
25Il figliuolo stolto è sdegno a suo padre, Ed amaritudine a colei che l'ha partorito.
26Onschuldigen beboeten is al niet goed; Maar edele mensen slaan, gaat alle perken te buiten!
26Egli non è bene di condannare il giusto, non pure ad ammenda, Nè che i principi battano alcuno per dirittura.
27Wie verstandig is, is spaarzaam met zijn woorden; Een man van ervaring is koelbloedig.
27Chi rattiene i suoi detti è dotato di conoscimento; E chi è di spirito riservato è uomo intendente.
28Als hij zwijgt, geldt zelfs een dwaze voor wijs; Als hij zijn mond maar houdt, voor verstandig.
28Lo stolto stesso è reputato savio, quando si tace; E prudente, quando tiene le labbra chiuse.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.