Spreuken 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Luistert kinderen, naar wat vader leert; Let op, om inzicht te krijgen.
1FIGLIUOLI, ascoltate l'ammaestramento del padre; E siate attenti, per conoscer la prudenza.
2Ik prent u een gezonde leer in; Sla dus mijn lessen niet in de wind.
2Perciocchè io vi ho data buona dottrina, Non lasciate la mia legge.
3Toen ik voor mijn vader nog een kind was, Een teer en enig kind onder het oog van mijn moeder,
3Perciocchè io ancora sono stato figliuol di mio padre, Tenero, ed unico appresso mia madre.
4Gaf hij mij onderricht en zeide tot mij: Neem mijn woorden ter harte, Neem mijn wenken in acht, en leef;
4Ed esso mi ammaestrava, e mi diceva: Il tuo cuore ritenga le mie parole; Osserva i miei comandamenti, e tu viverai.
5Doe wijsheid, en doe inzicht op, Vergeet mijn woorden niet, En wijk er nimmer van af!
5Acquista sapienza, acquista prudenza; Non dimenticare i detti della mia bocca, e non rivolgertene indietro.
6Verwaarloos haar niet, zij zal u behoeden, Als ge haar liefhebt, u beschermen.
6Non abbandonar la sapienza , ed ella ti preserverà; Amala, ed ella ti guarderà.
7Aanvang der wijsheid is: doe wijsheid op, Doe inzicht op, zoveel ge kunt;
7La sapienza è la principal cosa; acquista la sapienza; Ed al prezzo di tutti i tuoi beni, acquista la prudenza.
8Zij zal u verheffen, als ge haar hooghoudt, U aanzien verlenen, als ge haar omhelst;
8Esaltala, ed ella ti innalzerà; Ella ti glorificherà, quando tu l'avrai abbracciata.
9Zij vlecht om uw hoofd een sierlijke krans, En verrijkt u met een prachtige kroon!
9Ella ti metterà in sul capo un fregio di grazia; E ti darà una corona d'ornamento.
10Luister mijn zoon, neem mijn woorden aan, Opdat ge lange jaren moogt leven.
10Ascolta, figliuol mio, e ricevi i miei detti; Ed anni di vita ti saranno moltiplicati.
11Ik wijs u de weg van de wijsheid, Doe u de paden van het recht betreden.
11Io ti ho ammaestrato nella via della sapienza; Io ti ho inviato ne' sentieri della dirittura.
12Gaat ge daarop, dan zal men uw tred niet belemmeren, Snelt ge daar voort, dan struikelt ge niet.
12Quando tu camminerai, i tuoi passi non saran ristretti; E se tu corri, tu non incapperai.
13Houd onverzwakt vast aan de tucht, Neem haar in acht, want zij is uw leven.
13Attienti all'ammaestramento, non lasciar lo ; Guardalo, perciocchè esso è la tua vita.
14Begeef u niet op de weg der bozen, Ga niet voort op het pad der zondaars;
14Non entrare nel sentiero degli empi; E non camminar per la via de' malvagi.
15Laat ze liggen, ga er niet overheen, Mijd ze, ga ze voorbij!
15Schifala, non passar per essa; Stornatene, e passa oltre.
16Want ze rusten niet, of ze moeten kwaad kunnen doen, Ze gaan niet slapen, eer ze iemand hebben doen struikelen;
16Perciocchè essi non possono dormire, se non hanno fatto qualche male; E il sonno s'invola loro, se non hanno fatto cader qualcuno.
17Ze eten het brood der boosheid, En drinken de wijn der geweldenarij.
17Conciossiachè mangino il pane dell'empietà, E bevano il vino delle violenze.
18Maar de weg der deugdzamen is als het morgenlicht, Dat gaandeweg opklaart, tot het dag is geworden.
18Ma il sentiero de' giusti è come la luce che spunta, La quale va vie più risplendendo, finchè sia chiaro giorno.
19De weg der bozen gelijkt op een donkere nacht, Ze weten niet, waarover ze struikelen;
19La via degli empi è come una caligine; Essi non sanno in che incappano.
20Mijn zoon, schenk uw aandacht aan wat ik ga zeggen, Leg uw oor te luisteren naar mijn woorden;
20Figliuol mio, attendi alle mie parole; Inchina l'orecchio tuo a' miei detti.
21Laat ze niet wijken uit uw ogen, Bewaar ze diep in uw hart;
21Non dipartansi quelli giammai dagli occhi tuoi; Guardali in mezzo del tuo cuore;
22Want ze zijn het leven voor hem, die ze vindt, Voor heel zijn lichaam genezing.
22Perciocchè son vita a quelli che li trovano, E sanità a tutta la lor carne.
23Bewaak dus uw hart met de uiterste zorg, Want daar ligt de oorsprong des levens.
23Sopra ogni guardia, guarda il tuo cuore; Perciocchè da esso procede la vita.
24Verwijder van u een onbetrouwbare mond, Houd verre van u venijnige lippen;
24Rimuovi da te la perversità della bocca, Ed allontana da te la perversità delle labbra.
25Laat uw ogen vrij voor zich uitzien, Uw wimpers zich richten recht voor u uit.
25Gli occhi tuoi riguardino diritto davanti a te , E le tue palpebre dirizzino la lor mira dinanzi a te.
26Effen de weg voor uw voet, Geef richting aan uw wegen;
26Considera attentamente il sentiero de' tuoi piedi, E sieno addirizzate tutte le tue vie.
27Wijk niet af naar rechts of naar links, Houd uw voet verre van het kwaad.
27Non dichinar nè a destra, nè a sinistra; Rimuovi il tuo piè dal male.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.