Spreuken
Chapter 29
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Iemand die hardnekkig blijft, ondanks vermaning, Wordt plotseling onherstelbaar gebroken.
1L'uomo, il quale, essendo spesso ripreso, indura il suo collo, Di subito sarà fiaccato, senza rimedio.
2Als rechtvaardigen heersen, verheugt zich het volk; Als de boze regeert, zuchten de mensen.
2Quando i giusti sono aggranditi, il popolo si rallegra; Ma quando gli empi signoreggiano, il popolo geme.
3Een man, die de wijsheid liefheeft, is een vreugde voor zijn vader; Wie zich ophoudt met deernen, verkwist zijn vermogen.
3L'uomo, che ama sapienza, rallegra suo padre; Ma il compagno delle meretrici dissipa i suoi beni.
4Door rechtvaardigheid houdt een koning het land in stand; Wie veel belastingen heft, put het uit.
4Il re mantiene il paese con dirittura; Ma chi è dato a' presenti lo distrugge.
5Iemand die zijn naaste vleit, Spant een strik voor zijn voeten.
5L'uomo che lusinga il suo prossimo, Tende una rete davanti a' passi di esso.
6Op het pad van een booswicht ligt een valstrik, Maar de rechtvaardige loopt vrolijk voort.
6Nel misfatto dell'uomo malvagio vi è un laccio; Ma il giusto canterà, e si rallegrerà.
7De rechtvaardige houdt rekening met de rechten der armen, De boze echter verstaat geen reden.
7Il giusto prende conoscenza della causa de' miseri; Ma l'empio non intende alcun conoscimento.
8Spotters steken een stad in brand, Wijzen bedaren het oproer.
8Gli uomini schernitori allacciano la città; Ma i savi stornano l'ira.
9Als een dwaas een rechtszaak heeft met een wijze, Is hij luidruchtig en vrolijk, maar heeft geen rust.
9L'uomo savio che litiga con un uomo stolto, Or si adira, or ride, e non ha alcuna requie.
10Bloeddorstige mensen haten den deugdzame, De goeden zijn bezorgd voor zijn leven.
10Gli uomini di sangue odiano l' uomo intiero; Ma gli uomini diritti hanno cura della vita di esso.
11De dwaas laat zijn toorn de vrije loop, De wijze houdt zijn gramschap inl.
11Lo stolto sfoga tutta la sua ira; Ma il savio la racqueta e la rattiene indietro.
12Als een vorst geloof schenkt aan leugentaal, Worden al zijn dienaren slecht.
12Tutti i ministri del principe, Che attende a parole di menzogna, sono empi.
13Een arme en een geldschieter ontmoeten elkaar: Jahweh schenkt beiden het licht der ogen.
13Il povero e l'usuraio si scontrano l'un l'altro; Il Signore è quello che allumina gli occhi di amendue.
14Als een koning de armen billijk behandelt, Staat zijn troon voor altijd sterk.
14Il trono del re, che fa ragione a' miseri in verità, Sarà stabilito in perpetuo.
15Een stok en een vermaning schenken wijsheid; Een kind, dat aan zichzelf is overgelaten, maakt zijn moeder te schande.
15La verga e la correzione dànno sapienza; Ma il fanciullo lasciato in abbandono fa vergogna a sua madre.
16Als de bozen regeren, tiert de misdaad; Als zij vallen, zien de rechtvaardigen met vreugde toe.
16Quando gli empi crescono, cresce il misfatto; Ma i giusti vedranno la ruina di quelli.
17Tuchtig uw zoon, dan geeft hij u rust, En bezorgt hij u vreugde.
17Gastiga il tuo figliuolo, e tu ne sarai in riposo; Ed egli darà di gran diletti all'anima tua.
18Is er geen openbaring dan verwildert het volk; Gelukkig is het, als het de Wet onderhoudt!
18Quando non vi è visione, il popolo è dissipato; Ma beato chi guarda la Legge.
19Niet met woorden alleen moet ge een slaaf vermanen; Hij verstaat ze wel, maar doet er niet naar.
19Il servo non si corregge con parole; Benchè intenda, non però risponderà.
20Ziet ge iemand, die overijld spreekt: Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.
20Hai tu mai veduto un uomo precipitoso nel suo parlare? Vi è maggiore speranza d'uno stolto che di lui.
21Wie zijn slaaf van jongsaf verwent, Wordt tenslotte met ondank beloond.
21Se alcuno alleva delicatamente da fanciullo il suo servo, Quello sarà figliuolo alla fine.
22Een opvliegend karakter sticht ruzie, Een driftkop misdraagt zich vaak.
22L'uomo iracondo muove contese, E l'uomo collerico commette molti misfatti.
23Hoogmoed brengt een mens ten val, Ootmoed brengt hem tot eer.
23L'alterezza dell'uomo l'abbassa; Ma chi è umile di spirito otterrà gloria.
24Wie met een dief deelt, is zijn eigen vijand: Omdat hij de vloek hoort, en de zaak toch niet aangeeft
24Chi partisce col ladro odia l'anima sua; Egli udirà l'esecrazione, e non però manifesterà il fatto .
25Menselijk opzicht spant een strik; Maar wie op Jahweh vertrouwt, is veilig.
25Lo spavento dell'uomo gli mette un laccio; Ma chi si confida nel Signore sarà levato ad alto in salvo.
26Velen dingen naar de gunst van den koning, Maar Jahweh geeft ieder wat hem toekomt.
26Molti cercano la faccia di colui che signoreggia; Ma dal Signore procede il giudicio di ciascuno.
27De rechtvaardigen hebben een afschuw van zondaars, De bozen een afschuw van een eerlijk man. Aanhangsel. Woorden van Agoer.
27L'uomo iniquo è l'abbominio de' giusti; E l'uomo che cammina dirittamente è l'abbominio dell'empio.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.